SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/779 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2025, 24/625 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 augustus 2022 terecht heeft vastgesteld op 55,73%. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering per 8 augustus 2022 terecht heeft gebaseerd op voormelde mate van arbeidsongeschiktheid.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als operator/productiemedewerker voor 37,09 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 13 november 2019 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd.
Omdat appellante zich per 10 augustus 2020 en per 8 augustus 2022 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 30 december 2022. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 12 januari 2023 geweigerd aan appellante met ingang van 10 augustus 2020 en 8 augustus 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Appellante heeft tegen het besluit van 12 januari 2023 bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medisch onderzoek verricht tijdens een spreekuur van 20 september 2023. Tijdens het spreekuur heeft appellante informatie van haar chirurg van 11 augustus 2020 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante vervolgens per 10 augustus 2020 niet belastbaar, en daarmee voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt, geacht. Zij wordt toegenomen arbeidsongeschikt geacht op grond van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor zij eerder de wachttijd heeft doorlopen. Het Uwv heeft appellante, na onderzoek door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, per 8 augustus 2022 voor 55,73% arbeidsongeschikt geacht. Bij besluit van 13 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 1 november 2024 specifiek heeft toegelicht waarom er per 8 augustus 2022 geen sprake is geweest van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, bevatten zij geen tegenstrijdigheden en vloeien de conclusies logisch voort uit de rapporten. De verzekeringsartsen hebben de diverse door appellante ingediende medische stukken beoordeeld en zijn tot de conclusie gekomen dat de beperkingen juist zijn vastgesteld. De rechtbank kan dit standpunt volgen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder uitgebreid toegelicht waarom de geselecteerde functies passend zijn. Uit het arbeidsdeskundige rapport van 16 maart 2020 volgt niet dat appellante per 8 augustus 2022 alleen maar rustig productiewerk kan doen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft daartegen, samengevat, aangevoerd dat sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Volgens appellante hadden per 8 augustus 2022 meer beperkingen moeten worden aangenomen en had zij onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt moeten worden geacht. Appellante vindt dat haar belastbaarheid in alle functies wordt overschreden en dat een deskundige moet worden benoemd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Daar wordt het volgende aan toegevoegd. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische stukken ingediend. Er bestaat geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat in voldoende mate rekening is gehouden met de op de datum in geding, 8 augustus 2022, bestaande fysieke en psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid.
Omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen, afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 augustus 2022 op 55,73% in stand blijft. Voor een veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente bestaat daarom geen grond, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.G.J. van Eck