SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/589 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2025, 24/2874 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 18 maart 2026
In deze zaak gaat het om de vraag of het college terecht heeft geweigerd aan appellante een aangepaste buggy te verstrekken op grond van de Wmo 2015. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 februari 2026. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J.J. Straver.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren in 2014, is bekend met een ontwikkelingsachterstand, beperkingen in de conditie en een verminderde motoriek.
Met twee afzonderlijke besluiten van 19 mei 2021 heeft het college aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een aangepaste buggy en een aangepaste driewielfiets verstrekt.
Eind 2023 is namens appellante een aanvraag ingediend voor een aangepaste buggy. Tijdens het daarop volgende onderzoek is gebleken dat de in 2021 verstrekte buggy door de ouders van appellante niet is afgenomen omdat het een tweedehands buggy betrof. Daarop heeft het college met een besluit van 6 december 2023 (intrekkingsbesluit) deze maatwerkvoorziening ingetrokken met ingang van 11 mei 2021. Met een besluit van 13 december 2023 (afwijzingsbesluit) heeft het college de aanvraag voor een aangepaste buggy afgewezen. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen beide besluiten.
Met een besluit van 12 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen beide besluiten ongegrond verklaard. Aan het intrekkingsbesluit heeft het college ten grondslag gelegd dat gebleken is dat appellante de aangepaste buggy voor het verplaatsen buiten de woning gedurende twee jaar niet nodig heeft gehad en dat zij zich heeft kunnen verplaatsen met de driewielfiets en/of door te lopen. Aan het afwijzingsbesluit heeft het college ten grondslag gelegd dat voor het verstrekken van een aangepaste buggy geen noodzaak bestaat. Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de in 2021 verstrekte aangepaste buggy. Zij is in staat om een redelijke afstand lopend te overbruggen en ze heeft de beschikking over een aangepaste driewielfiets.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover in hoger beroep nog van belang, overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat geen noodzaak bestaat tot het toekennen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een aangepaste buggy. Appellante heeft nooit gebruik gemaakt van de eerder toegekende buggy. Uit gesprekken met de moeder en de school van appellante is bovendien gebleken dat appellante zich lopend – over een redelijke afstand – dan wel door middel van de driewielfiets kan verplaatsen buiten de woning. Volgens school kan appellante 25 minuten aaneen in een stevig tempo lopen. Dit is kennelijk feitelijk geconstateerd, omdat het gaat over de afstand van de school naar het sportveld. Het college heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan deze concrete informatie of om zelf een medisch onderzoek te laten verrichten. Het betoog dat een ouder continu de duwbeugel van de driewielfiets moet vasthouden om te voorkomen dat appellante zelfstandig gaat rijden en dat dit niet gaat als de ouders met al hun jonge kinderen buiten zijn, heeft de rechtbank verworpen, in aanmerking nemend dat de andere kinderen, 8, 12, 14 en 15 jaar oud zijn en behoudens wellicht de jongste niet voortdurend toezicht nodig hebben in het verkeer.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de aangepaste buggy noodzakelijk is. Bij appellante is sprake van een beperkte mobiliteit. Zij heeft verder continu toezicht nodig, omdat zij geen besef van gevaar heeft. Met de driewielfiets bestaat het gevaar dat zij zelfstandig gaat deelnemen aan het verkeer.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad stelt allereerst vast dat de gronden in hoger beroep niet zien op de intrekking van de aangepaste buggy met ingang van 11 mei 2021. Dit behoeft daarom geen bespreking. De Raad beoordeelt vervolgens of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
Uit de stukken blijkt dat de driewielfiets van appellante is voorzien van een parkeerrem. Op de momenten dat de ouders van appellante de duwbeugel van de driewielfiets moeten loslaten, bijvoorbeeld omdat een van de andere kinderen aandacht behoeft, kunnen zij de driewielfiets op de rem zetten en zo voorkomen dat appellante zelfstandig gaat deelnemen aan het verkeer.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat afwijzing van de aanvraag voor een aangepaste buggy in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
(getekend) B. Serno
(getekend) M. Dafir