SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/3100 WAD
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 september 2023, 22/7372 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Kroon, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris van Defensie (Kroon)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Het gaat in deze zaak om een verleend ontslag vanwege verregaande nalatigheid. De Raad komt tot het oordeel dat bij een aantal van de verweten gedragingen sprake is van verregaande nalatigheid van appellant en dat het verleende ontslag daaraan niet onevenredig is.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.C. Coppens, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens de Kroon is een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Coppens. De Kroon heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. Walet en mr. ir. T. Venema.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant is met ingang van [datum 1] bij koninklijk besluit aangesteld bij het beroepspersoneel van de Krijgsmacht in de rang van [rang]. Appellant was werkzaam als [naam functie 1] bij de [onderdeel] “[naam onderdeel]”, een professioneel militair harmonieorkest dat de muziek verzorgt bij militaire ceremonies en staatsaangelegenheden.
In juni 2019 is het orkest naar [land] gegaan vanwege de 75-jarige herdenking van D-day. Daarbij is gebruik gemaakt van een hotel in [plaatsnaam] , dat niet (zoals te doen gebruikelijk bij buitenlandse dienstreizen) door het Reisbureau Defensie (RBD) was geboekt maar door appellant via een collega. Dit hotel was namelijk goedkoper en lag dichter bij de plaats van optreden dan het door RBD voorgestelde hotel. Appellant heeft ook de reis en de optredens georganiseerd. De reis was gepland van [datum 2] 2019 tot en met maandag [datum 3] 2019. Op vrijdag [datum 4] 2019 is de groep voortijdig naar Nederland teruggekeerd vanwege een conflict tussen twee leden van het orkest, vanwege het afzeggen van optredens in verband met het slechte weer en omdat er vanuit de Franse organisatie geen andere verzoeken waren gekomen om op te treden.
Bij de [naam functie 2] van appellant zijn twijfels ontstaan over een aantal door appellant ingediende declaraties met betrekking tot de reis en over andere financiële onregelmatigheden. De Commissie van Onderzoek en Advies (COA) is verzocht om onderzoek te doen en te adviseren over mogelijk te nemen (rechtspositionele) maatregelen. Op 2 augustus 2021 heeft de COA verslag uitgebracht van het onderzoek en advies gegeven. De commissie heeft geconcludeerd dat voldoende is komen vast te staan dat appellant uit hoofde van zijn functie nalatig heeft opgetreden en ontslag een gepaste en evenredige maatregel is.
Bij brief van 21 september 2021 heeft de staatssecretaris, met verwijzing naar het advies van de COA, op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) appellant met ingang van 1 november 2021 ontslag verleend vanwege verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten.
Ontslagbesluit
Bij koninklijk besluit van 11 oktober 2021 (ontslagbesluit) is aan appellant met ingang van 1 november 2021 ontslag verleend vanwege verregaande nalatigheid. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 10 oktober 2022 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Het ontslagbesluit is gehandhaafd omdat het bewust indienen van onrechtmatige declaraties, en de wijze van omgaan met diverse financiële verantwoordelijkheden door appellant niet valt te rijmen met wat van een militair ambtenaar mag worden verwacht op het gebied van verantwoordelijkheid en integriteit. Hieraan is, voor zover thans nog van belang, het volgende ten grondslag gelegd.
- Appellant heeft op eigen initiatief – zonder tussenkomst van het RBD – voor de groepsreis naar [land] 52 hotelkamers gereserveerd voor zes nachten, terwijl uiteindelijk maar gedurende drie nachten van 47 hotelkamers gebruik is gemaakt. Omdat appellant met het hotel geen afspraken had gemaakt over annulering en restitutie, heeft het hotel de drie nachten, waarvan geen gebruik meer is gemaakt, in rekening gebracht en geen geld gerestitueerd vanwege het vervroegde vertrek. Dit had voorkomen kunnen worden.
- Appellant heeft bij het indienen van de reisdeclaratie voor de hele groep en voor hemzelf de reisperiode (bewust) niet aangepast aan het voortijdig vertrek, waardoor aan het gehele orkest en aan hemzelf een te hoog bedrag aan vergoedingen is betaald.
- Appellant heeft een declaratie ingediend en een vergoeding van € 48,28 ontvangen voor Zaterdag- Zondag en Feestdag-uren (hierna: ZZF-uren), terwijl hij niet op een zaterdag, zondag of feestdag ( 8, 9 en [datum 3] 2019) in [land] was. Alvorens deze declaratie in te kunnen dienen bij zijn [naam functie 2] heeft appellant meerdere handelingen moeten verricht en een controle moeten uitvoeren. Hij had zich er dus van bewust kunnen en moeten zijn dat hij onjuiste gegevens verstrekte en daarmee een onrechtmatige declaratie indiende.
- Voor de betaling van het hotel in [land] had appellant € 4.500,- geleend uit de zogeheten CD-pot. Daarin bevindt zich geld afkomstig uit de verkoop van CD’s en merchandising. Ondanks herhaaldelijke verzoeken heeft hij de CD-pot pas aangevuld in maart 2021, na hiertoe te zijn gesommeerd.
- Appellant heeft op 6 november 2020 een aanvraag bij zijn [naam functie 2] ingediend voor de uitruil aanvullende kilometervergoeding, die wordt uitgekeerd wanneer de militair voldoet aan de voorwaarde van een minimaal aantal reisdagen woon-werkverkeer in een betreffende periode. Om aan dit minimale aantal reisdagen te komen, heeft appellant ook niet-gedeclareerde dienstreizen in de berekening meegenomen, terwijl dat niet is toegestaan. Hij stelt hiervoor toestemming te hebben gehad van zijn [naam functie 2], maar de [naam functie 2] ontkent dit. Daarmee heeft hij bewust foutieve gegevens aangeleverd. De officier van justitie heeft appellant op 22 december 2021 schuldig geacht aan het opzettelijk verstrekken van valse reisgegevens, waardoor ten onrechte een tegemoetkoming is verstrekt en/of een fiscaal voordeel voor appellant is ontstaan. De officier van justitie heeft hiervoor een voorwaardelijk sepot opgelegd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedragingen van appellant terecht zijn gekwalificeerd als verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten en dat de Kroon bevoegd was om over te gaan tot ontslag. Gelet op het aantal toerekenbare gedragingen en de functie van appellant destijds als [naam functie 2] en [naam functie 1], kan het ontslag dan ook niet als onevenredig aan de aard en de ernst van de nalatigheid worden aangemerkt.
Het standpunt van appellant
3 . Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het ontslag vanwege verregaande nalatigheid in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten.
Voor het ontslag van een militair ambtenaar wegens verregaande nalatigheid, zoals geregeld in het AMAR, geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betrokken militair zich aan de hem verweten gedraging(en) heeft schuldig gemaakt.
Bij de beoordeling of sprake is van verregaande nalatigheid in de vervulling van plichten dienen de door het bevoegde gezag daartoe aangevoerde gedragingen zowel ieder voor zich als ook in onderling verband te worden beoordeeld.
In het bestreden besluit is gesteld dat de hierboven onder 1.6 genoemde gedragingen ieder voor zich kwalificeren als verregaande nalatigheden, en ieder voor zich grond vormen wegens ontslag als zodanig. Ter zitting is namens de Kroon gesteld dat het indienen van declaraties voor de dienstreis (voor de groep en voor appellant) en voor de ZZF-uren en de aanvraag voor de uitruil, ieder voor zich, maar ook alle gedragingen onder 1.6 genoemd tezamen voldoende grond bieden voor ontslag.
Boeken hotel zonder annuleringsregeling
Dat appellant het hotel in [plaatsnaam] heeft geboekt buiten RBD om, wordt hem niet langer verweten. Wel wordt hem verweten dat hij hierbij geen annuleringsregeling heeft getroffen. Dat geen annuleringsregeling is getroffen staat vast. Appellant voert aan dat hij wel geprobeerd heeft bij het hotel een korting te krijgen, toen bleek dat van verblijf gedurende drie nachten geen gebruik zou worden gemaakt, maar dat is uiteindelijk niet gelukt. Voor het feit dat hij geen annuleringsregeling had getroffen geeft appellant als verklaring dat het hotel in [plaatsnaam] veel goedkoper was (te weten € 24.727,10) dan het door RBD voorgestelde hotel (te weten omstreeks € 60.000,-).
Nu het voor appellant bij het boeken van het hotel in [plaatsnaam] duidelijk moet zijn geweest dat het onzeker was of voor het hele orkest een boeking van zes nachten nodig was (bij vertrek was namelijk niet zeker dat er op zaterdag en op zondag gespeeld zou moeten worden) had appellant vooraf moeten proberen daarover een afspraak te maken. Dit is te beschouwen als een nalatigheid, maar niet als een verregaande nalatigheid. Niet ondenkbaar is immers dat een dergelijke poging bij het boeken van dit hotel niets had opgeleverd.
Reisdeclaratie
Het staat vast dat appellant voor zichzelf een declaratie heeft ingediend waarbij hij een vergoeding claimt gebaseerd op een verblijf van zeven dagen ( 3 tot [datum 3] ) in [land] , terwijl hij daar maar vier dagen is geweest. Ook heeft appellant voor alle leden van het orkest een vergoeding over de periode van 4 tot [datum 3] aangevraagd en verstrekt, terwijl zij maar van 4 tot [datum 4] in [land] waren. Volgens appellant heeft hij op deze wijze gedeclareerd om te voorkomen dat de kosten van de drie niet gebruikte nachten voor rekening van de orkestleden zouden komen. Zij hadden namelijk voor aanvang van de reis de kosten voor zes nachten voorgeschoten. Appellant betoogt dat hij voor deze wijze van declareren goedkeuring had van zijn [naam functie 2]. Appellant wijst er verder op dat zelfs met het betalen van de declaraties gebaseerd op een verblijf tot [datum 3] , de kosten van de hele reis nog steeds lager waren dan wanneer de reis via RBD was geboekt. Tenslotte wijst appellant ten aanzien van zijn eigen declaratie erop dat hij voor vertrek van de reis het betreffende formulier al had ingevuld, en dat hij er bij het uiteindelijk indienen van de declaratie na afloop van de reis niet bij had stilgestaan dat het om een kortere periode ging.
De Raad acht de handelwijze van appellant, waarbij hij ten behoeve van zichzelf een vergoeding declareert voor dagen waarop hij niet op reis was en dus geen aanspraak op zo’n vergoeding had, verregaand nalatig.
Dit geldt ook voor het indienen van de reisdeclaratie voor de orkestleden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de [naam functie 2] van appellant heeft verklaard dat niemand hem over de financiële afwikkeling van de dienstreis heeft geïnformeerd. Bovendien is het appellant zijn eigen verantwoordelijkheid om declaraties naar waarheid in te dienen. Als appellant wilde voorkomen dat bepaalde kosten voor rekening van de orkestleden zouden blijven, dan had hij dat op een andere manier en eventueel in overleg met zijn [naam functie 2] moeten oplossen.
ZZF-uren
Zoals in overweging 4.8 tot en met 4.9 ten aanzien van de reisdeclaraties is overwogen is ook het door appellant ten behoeve van zichzelf claimen van een zaterdag- en zondagvergoeding, terwijl hij toen niet op reis was, als verregaand nalatig te beschouwen.
Gebruik CD-pot
Appellant heeft, om het benodigde voorschot aan het hotel in [plaatsnaam] te kunnen betalen, gebruik gemaakt van geld uit de zogenaamde CD-pot. Dat hij dit deed wordt appellant op zichzelf niet zozeer verweten. Wel is hem verweten dat hij langdurig gedraald heeft dit geld weer te retourneren, het geld langdurig onder zich heeft gehouden en pas na sommatie van zijn [naam functie 2] het bedrag heeft terugbetaald. Hoewel niet is gebleken dat appellant dit deed in een poging zich dit geld toe te eigenen, is deze handelwijze niet zorgvuldig en niet overeenkomstig wat een goed ambtenaar zou behoren te doen. Er is dan ook sprake van nalatigheid.
Uitruil aanvullende kilometervergoeding
Militairen konden (een deel van) hun eindejaarsuitkering uitruilen tegen een onbelaste aanvullende kilometervergoeding voor woon-werkverkeer. Er bestond recht op een volledige aanvulling woon-werkverkeer wanneer er (gemiddeld) minimaal zes dagen per twee weken van het huisadres naar de vaste werkplek werd gereisd. Dit werd ook wel het cafetariamodel genoemd.
Appellant heeft aangevoerd dat hij een aantal dienstreizen niet had gedeclareerd, terwijl dat wel had gekund en dat deze reizen beschouwd kunnen worden als woonwerkverkeer. Appellant stelt dat hij het betrekken van deze dienstreizen bij de uitruil met zijn [naam functie 2] op 6 november 2020 heeft besproken. Hij heeft vervolgens op 6 november 2020 hiertoe een declaratie ingediend, met een aparte bijlage, waarop de [naam functie 2] per e-mail op 8 november 2020 heeft gereageerd. Deze e-mail houdt onder andere het volgende in: “Hallo [naam] , Dank je, ik zal de aanvraag afdoen. Wat ik afgelopen vrijdag ook al aangaf, ik vind het belangrijk dat gemaakte kosten tbv de dienst, zo goed mogelijk in de declaratie verwoord worden conform de daadwerkelijke situatie. Wat voor mij dus inhoudt dat men gewoon de gemaakte (reis)declaraties indient (of niet), maar dat het cafetariamodel geen tool is om alsnog een vergoeding te krijgen.” Appellant voert aan deze e-mail te hebben opgevat als een instemming van de betreffende [naam functie 2] met de handelwijze van appellant. Hij voert ook aan dat als de [naam functie 2] direct en ondubbelzinnig had verklaard niet met deze handelwijze in te stemmen dat appellant daar dan ook van zou hebben afgezien.
De [naam functie 2] heeft appellant op 19 december 2020 meegedeeld dat hij vanaf het begin had aangegeven dat de declaraties moesten worden ingediend naar de werkelijke situatie en dat appellant dat niet heeft gedaan.
De Raad stelt vast dat appellant niet (langer) betwist dat hij naar de letter van de regeling geen aanspraak had op de volledige uitruilvergoeding. Dat appellant uit de reactie van de [naam functie 2] van 8 november 2020 meent te hebben mogen opmaken dat deze instemde met appellants handelwijze, onderschrijft de Raad niet. Weliswaar deelt de [naam functie 2] mee dat hij de aanvraag zal afdoen, maar hij schrijft er ook bij dat die wel conform de werkelijke situatie moet zijn. Of de [naam functie 2] op dat moment wist dat de aanvraag van appellant daaraan niet voldeed, is daarmee niet duidelijk. Nu wel duidelijk was dat er geen aanspraak bestond op de volledige uitruilvergoeding, had appellant deze niet mogen claimen onder vermelding van een onjuist aantal kilometers woon-werkverkeer. Door dat toch te doen heeft appellant verregaand nalatig gehandeld.
Tussenconclusie
De tussenconclusie is dat appellant op een drietal onderdelen verregaand nalatig heeft gehandeld. De vervolgens te beantwoorde vraag is of het ontslag daaraan niet onevenredig is.
Evenredigheid
De Raad acht de gevolgen van het ontslag niet onevenredig. Hierboven heeft de Raad drie incidenten (reisdeclaratie, ZZF-uren en uitruil) als verregaand nalatig gekwalificeerd. Weliswaar heeft appellant een zekere openheid betracht door over de wijze van declareren contact te hebben met zijn [naam functie 2], maar van appellant had zeker gezien zijn voorbeeldfunctie als [naam functie 1] verlangd mogen worden dat hij een duidelijke toestemming had gevraagd alvorens de declaraties in te dienen zoals ze zijn ingediend, te weten in strijd met de daarvoor bestaande regels. Verder heeft te gelden dat appellant een eigen verantwoordelijkheid heeft om declaraties op een juiste wijze en naar waarheid in te dienen. Mede gelet op de Gedragscode Defensie, waarin staat vermeld “ik declareer alleen waar ik recht op heb” en “ik ben mij altijd bewust van mijn voorbeeldfunctie en de hoge eisen die de samenleving mij stelt aan mijn gedrag” moet worden geconcludeerd dat appellant zich niet heeft gedragen overeenkomstig de hoge eisen van betrouwbaarheid, integriteit en verantwoordelijkheid, die de defensieorganisatie aan zijn ambtenaren stelt. Dat de aangevoerde persoonlijke en financiële gevolgen van het ontslag groot zijn, maakt onder de gegeven omstandigheden nog niet dat het gegeven ontslag onevenredig zou zijn, omdat zij daarvoor onvoldoende gewicht in de schaal leggen.
Conclusie en gevolgen
Uit 4.17 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het ontslag van appellant in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas als voorzitter en mr. G.C. Boot en mr. B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
(getekend) H. Lagas
(getekend) H. de Brabander