SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2442 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2024, 23/4727 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
De Svb heeft appellant geen AOW-pensioen toegekend omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op AOW-pensioen. De Raad is het met de rechtbank eens dat de Svb terecht de aanvraag heeft afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 februari 2026. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
In juni 2022 heeft appellant een AOW-pensioen aangevraagd. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij van 1978 tot 1981 in [plaats 1] heeft gewoond en in die periode in een houtfabriek heeft gewerkt. Ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft appellant een inschrijfkaart van een ziekenfonds overgelegd.
De Svb heeft onderzoek verricht naar het verblijf en de werkzaamheden van appellant in Nederland in die periode. Met een besluit van 22 februari 2023 is de aanvraag afgewezen, omdat appellant niet verzekerd is geweest voor de AOW. Volgens de Svb kan niet worden vastgesteld dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met een besluit van 20 juni 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft de Svb terecht geconcludeerd dat appellant niet verzekerd was voor de AOW. Met de informatie die appellant heeft verstrekt is ook niet aannemelijk geworden dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt in de jaren 1978 tot 1981. De overgelegde inschrijfkaart van het ziekenfonds is onvoldoende om te concluderen dat dat sprake is geweest van een verzekering voor de AOW.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij stelt in Nederland in loondienst te zijn geweest en verwijst onder meer naar de ziekenfondskaart.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
In geschil is of appellant in het tijdvak van 1978 tot 1981 verzekerd is geweest voor de AOW. Hiervoor is van belang of appellant in die periode in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Svb heeft aan de hand van de door appellant verstrekte gegevens onderzocht of appellant ingeschreven is geweest in het bevolkingsregister van de gemeenten Ede en Wageningen of in het Schakelregister. In dit onderzoek hebben de gemeenten Ede en Wageningen aangegeven dat appellant niet voorkomt in het bevolkingsregister. Ook komt appellant niet voor in het Schakelregister. Bij het Pensioenfonds Meubel is appellant ook niet bekend.
Aan de kaart van het ziekenhuis te [plaats 2] en de inschrijfkaart van het ziekenfonds kan niet het gewicht worden toegekend dat appellant daaraan toegekend wil zien. Uit de inschrijfkaart volgt dat appellant op 27 maart 1979 ingeschreven was bij het ziekenfonds en dat deze inschrijving tenminste duurde tot 7 mei 1979, de datum van uitgifte. De inschrijfkaart van het ziekenfonds geeft geen uitsluitsel over de vraag hoelang appellant nadien ingeschreven is geweest. De Svb heeft op de zitting er op gewezen dat appellant minimaal een jaar verzekerd moet zijn geweest om aanspraak te kunnen maken op een AOW-pensioen. Uit de inschrijfkaart van het ziekenfonds volgt niet dat appellant ten minste één jaar verzekerd is geweest, zoals artikel 7 van de AOW als voorwaarde stelt. Hetzelfde geldt voor de kaart van het ziekenhuis te [plaats 2]. Daarop zijn weliswaar gegevens van appellant vermeld maar geen datum van uitgifte of data van bezoeken of verblijf. Omdat er geen andere aanwijzingen zijn dat appellant minimaal één jaar in Nederland heeft gewoond of gewerkt kan appellant geen aanspraak maken op een AOW-pensioen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellant geen recht heeft op een AOW-pensioen.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
Statue:
Confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par E.E.V. Lenos en présence de J.A. Adjei-Asamoah en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 19 Mars 2026.
Les parties disposent d’un délai de six semaines á compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas: Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL2500 EH ‘s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assuré.