SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 maart 2025, 23/1835 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft beslist dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante heeft zij nieuwe feiten aangevoerd die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn terug te komen van het besluit van 7 juli 2009 waarbij haar geen Wajong-uitkering is toegekend. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht is gebleven bij de weigering om een Wajong-uitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Türk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nader stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellante is met haar moeder en begeleidster verschenen, bijgestaan door mr. Türk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1989, heeft met een door het Uwv op 28 mei 2009 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante psychische klachten heeft. Bij de aanvraag is informatie van maart 2009 van een psycholoog in opleiding gevoegd. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. De beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 juni 2009. Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante vanaf haar zeventiende niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en in ieder geval geacht wordt meer dan 75% van het minimumloon te kunnen verdienen. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met een door het Uwv op 3 juni 2010 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij zij gevraagd heeft om terug te komen van het eerdere besluit van 7 juli 2009. Bij de aanvraag heeft appellante een brief van 22 oktober 2009 van een psychiater gevoegd waarin deze de diagnose specifieke angststoornis dan wel post traumatische stressstoornis (partieel) heeft gesteld. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 september 2010 geweigerd om terug te komen van het eerdere besluit van 7 juli 2009. Bij besluit van 8 december 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Met een door het Uwv op 15 oktober 2021 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft het Uwv opnieuw geweigerd om terug te komen van het eerdere besluit van 7 juli 2009. Bij besluit van 23 februari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd in zijn standpunt dat de stukken die appellante heeft ingebracht niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten die betrekking hebben op de medische situatie van appellante op haar achttiende jaar. De stukken die betrekking hebben op haar achttiende bevatten namelijk geen andere medische informatie dan het Uwv al bekend was vanuit de eerdere beoordeling toen al rekening gehouden is met de psychische klachten van appellante. Hoewel een deel van de stukken op zich eerder niet bekend was, was de informatie die daarin staat, voor zover die betrekking heeft op het achttiende jaar, al wel bekend. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat bij de vaststelling van de beperkingen op het achttiende jaar ook betrokken moet worden wat de impact van de beperkingen is geweest op het verdere verloop van haar leven. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet evident onredelijk om niet terug te komen van het eerdere besluit van 7 juli 2009 en bestaat er ook geen aanleiding om voor de toekomst terug te komen van dit besluit.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij wel nieuwe feiten heeft aangevoerd die betrekking hebben op haar medische situatie op het achttiende jaar. Uit het feit dat psychologische behandelingen voor en na haar achttiende jaar geen enkel effect hebben gesorteerd, niet hebben geleid tot verbetering of opklaring van haar klachten, blijkt dat de situatie van appellante in 2009 te licht is beoordeeld. In dit verband heeft appellante gewezen op het in beroep ingebrachte verslag van 3 juli 2023 van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, waarin staat dat sprake is van een PTSS, inclusief PTSS bij kinderen van 6 jaar en jonger. In ieder geval had in 2009 een urenbeperking moeten worden aangenomen, omdat zij toen al slaapproblemen en nachtmerries had. Er waren verder ten tijde van het onderzoek in 2009 serieuze aanwijzingen voor fibromyalgie en spasmofilie die de verzekeringsarts toen niet heeft onderkend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een medisch belastbaarheidsonderzoek van 8 juli 2025 van Stichting SAP en een brief van 26 februari 2008 van een voormalige docente overgelegd, waarin de docente heeft verklaard dat appellante haar opleiding vanwege haar psychische problemen heeft moeten beëindigen. Appellante heeft verder gesteld dat het evident onredelijk is om niet terug te komen van het eerdere besluit van 7 juli 2009 en dat er ook aanleiding is om voor de toekomst terug te komen van dit besluit.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 november 2025.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de geweigerde Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het verzoek van appellante van 15 oktober 2021 strekt ertoe dat het Uwv voor zowel het verleden als de toekomst terugkomt van het besluit van 7 juli 2009 (oorspronkelijk besluit).
Verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 2009 (verleden)
Op het verzoek van appellante van 15 oktober 2021 heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellante ingediende (medische) stukken in de bezwaarprocedure geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De behandelaars van de GGZ spreken in maart 2009 al over mogelijk een PTSS als gevolg van gebeurtenissen in het gezinsleven. Dat na het eerdere besluit de diagnose PTSS is bevestigd, maakt niet dat de verzekeringsarts in juni 2009 de uit de psychische klachten voortkomende beperkingen heeft onderschat. De verzekeringsarts is bij de beoordeling in juni 2009 immers uitgegaan van al op jonge leeftijd ontstane psychische klachten die hij heeft geduid als reactie op ernstige stress. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 17 november 2025 verder navolgbaar toegelicht dat het vanwege de ingrijpende gebeurtennissen op jonge leeftijd begrijpelijk is dat de inclusie van PTSS bij kinderen jonger dan zes jaar is aangenomen, maar dit geen aanleiding geeft voor meer beperkingen op achttienjarige leeftijd.
Het medisch belastbaarheidsonderzoek van 8 juli 2025 van Stichting SAP en de brief van 26 februari 2008 van een voormalige docente leiden niet tot een ander oordeel. De conclusie van Stichting SAP dat er momenteel geen reële arbeidsmogelijkheden zijn als gevolg van de medische situatie van appellante, ziet niet op 2009. Bij de beoordeling in 2009 was verder reeds betrokken dat de psychische klachten indertijd hebben geleid tot problemen tijdens haar stage bij de mbo-opleiding Helpende en dat appellante in juli 2007 is gestopt met de kappersopleiding.
Het Uwv mocht het verzoek van appellante dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 7 juli 2009. In wat appellante heeft aangevoerd, wordt evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Het beroep op de duuraanspraakjurisprudentie (toekomst)
In zijn rapporten van 3 februari 2023 en 30 november 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat wat betreft de medische informatie die gaat over de periode rond het zeventiende en achttiende levensjaar geen ander beeld naar voren komt dan al bekend was. De informatie die is ingebracht bevestigt vooral het al bekende beeld. Er is geen medische informatie voorhanden waaruit blijkt dat de beoordeling in 2009, achteraf bezien, onjuist is geweest.
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat haar lichamelijke problemen bij de beoordeling in 2009 niet zijn onderkend. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 19 juni 2009 blijkt dat appellante toen melding heeft gemaakt van spierklachten en blaasklachten. Appellante heeft daarbij echter toegelicht dat bij herhaald bloedonderzoek op verzoek van de huisarts geen afwijkingen werden gevonden en dat gynaecologisch onderzoek evenmin afwijkingen aantoonde. In zijn beschouwing heeft de verzekeringsarts de lichamelijke klachten kenbaar gewogen en ook de lichamelijke klachten gekaderd als reactie op ernstige stress, mede in aanmerking nemend dat bij onderzoek geen afwijkingen waren gevonden. Dat op een later moment lichamelijke klachten van appellante zijn geduid als fibromyalgie en spasmofilie, maakt niet dat de verzekeringsarts haar lichamelijke klachten op achttienjarige leeftijd heeft onderschat. De beroepsgrond dat bij de beoordeling in 2009 in ieder geval een urenbeperking had moeten worden aangenomen, slaagt evenmin. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 3 februari 2023 navolgbaar geconcludeerd dat er geen stoornis in de energiehuishouding was door energietekort, te groot energieverbruik dan wel verminderde recuperatiemogelijkheden zoals bedoeld in de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. In de FML van 19 juni 2009 is bovendien wel aangenomen dat appellante niet ’s avonds en ’s nachts kan werken.
Omdat de voorhanden zijnde medische informatie geen aanleiding geeft om de FML van 19 juni 2009 voor onjuist te houden, heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 7 juli 2009.
Uit 5.1 tot en met 5.8 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat er geen grond is om terug te komen van het besluit van 7 juli 2009.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de geweigerde Wajonguitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.