SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/826 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 april 2025, 23/9500 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 25 september 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C. Steijgerwalt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 februari 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als consultant junior engineer voor 40,15 uur per week. Op 29 september 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft het Uwv bij besluit van 11 oktober 2022 de aanvraag niet (verder) in behandeling genomen, omdat appellant niet in verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Het Uwv heeft de aanvraag (weer) in behandeling genomen en er heeft een spreekuurcontact plaatsgevonden met een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juli 2023. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en geconcludeerd dat appellant 24,72% arbeidsongeschikt is.
Nadat het Uwv appellant een voornemen daartoe had gestuurd en appellant zijn zienswijze daarop had ingediend, heeft het Uwv bij besluit van 31 juli 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en geweigerd appellant met ingang van 25 september 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden voor de conclusie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen juist beeld had van de psychische en lichamelijke beperkingen van appellant of dat hij zijn belastbaarheid niet juist heeft ingeschat. Uit de in beroep overgelegde medische informatie blijkt dat de psychische aandoening als matig is ingeschat. Dat appellant psychisch meer beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen volgt de rechtbank daarom niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met de onregelmatige hartslag, druk op de borst en moeilijk ademhalen rekening gehouden door beperkingen ten aanzien van stress en fysiek zwaar werk te stellen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te concluderen dat de belastbaarheid om deze reden in de FML niet juist is vertaald. De beroepsgronden hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv de uit zijn lichamelijke en psychische beperkingen voortkomende beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft gesteld dat zijn rugklachten en zijn depressie ernstig van aard zijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat beperkingen vanwege medicijngebruik hadden moeten worden aangenomen, heeft appellant informatie van zijn huisarts, een apotheek en een zorgregistratie overgelegd. Appellant heeft verder herhaald dat de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van 10 november 2025 en 5 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in verband met een matige depressie, somatisering, dwangmatige en vermijdende persoonlijkheidstrekken en mogelijk ADD in de FML van 1 juli 2023 voor appellant beperkingen aangenomen voor stress, hoge eisen aangaande sociaal functioneren en hoge eisen aangaande het concentreren. In verband met chronisch aspecifieke lage rugklachten en een hartritmestoornis heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant beperkt geacht ten aanzien van gebogen werken frequent buigen, al te zwaar tillen en dragen, staan tijdens werk en licht beperkt ten aanzien van zitten en zitten tijdens werk. Ook is er een beperking aangenomen voor traplopen.
De beroepsgronden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de depressieve klachten en de rugklachten heeft onderschat, slagen niet. Uit de medische stukken blijkt niet dat de depressie als ernstig is aangemerkt of dat de rugklachten ernstig zijn. Aanknopingspunten hiervoor zijn ook niet te lezen in het verslag van het psychisch en lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De beroepsgrond dat aanvullende beperkingen hadden moeten worden aangenomen vanwege het medicijngebruik, slaagt evenmin. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het medicatiegebruik van appellant in kaart gebracht en geconcludeerd dat op de datum in geding geen sprake is van medicatiegebruik dat de rijvaardigheid kan beïnvloeden of dat leidt tot een verhoogd persoonlijk risico. De in hoger beroep overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 februari 2026 voldoende gemotiveerd toegelicht waarom deze informatie geen aanleiding geeft om extra beperkingen aan te nemen, nu de overgelegde informatie onduidelijk is en het deeldocumenten zijn waarbij de tekst deels is weggevallen. Uit de overgelegde informatie kan niet worden opgemaakt op welke wijze de medicatie voor appellant was voorgeschreven en kan ook niet worden vastgesteld dat dit tot extra beperkingen moet leiden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij opgemerkt dat een (gebruikelijk) medicatieoverzicht, zoals een apotheekuitdraai waarop zowel de medicatie, dosering, aantallen uitgereikte tabletten en voorgeschreven innamebeleid staat, niet is ingestuurd door appellant.
Arbeidskundige beoordeling
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) D. Semiz