SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/777 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 februari 2025, 23/9654 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 23 mei 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.E. de Glopper, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Glopper. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. J.F.C.A.M. Weterings.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante is in 2019 onder bewind gesteld, sinds 2021 bij [naam bewindvoering] BV. Zij heeft voor het laatst gewerkt als huishoudelijke hulp voor 11,03 uur per week. Op 25 mei 2020 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 september 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 23 september 2022 geweigerd appellante met ingang van 23 mei 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 3 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Appellante is door de verzekeringsartsen gezien en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de hoorzitting aanvullende medische informatie opgevraagd bij de huisarts. De informatie van de huisarts van 21 juni 2023, de brief van Emergis van 27 januari 2023 en de brief van de maatschappelijk werker van 5 januari 2023 zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken in haar beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie miste om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat appellante, volgens de brief van Emergis van 27 januari 2023, sinds mei 2021 voor stress en spanningsklachten onder behandeling stond. De behandeling is volgens de verklaring van appellante ter zitting al vrij snel gestopt. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat niet is gebleken dat in de FML van 22 september 2022 de beperkingen van appellante zijn onderschat. Ter zitting heeft het Uwv verklaard dat het verschil tussen onderhavige beoordeling en de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) mogelijk te verklaren is door een onjuistheid bij de eerdere Ziektewet-beoordeling. De rechtbank heeft dit niet kunnen toetsen, maar overwogen dat het Uwv afdoende heeft gemotiveerd dat op basis van de klachten van appellante voldoende beperkingen zijn aangenomen op de datum in geding. Met betrekking tot de thuissituatie van appellante heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank zich terecht op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid huishoudelijke taken, opvoeding en verzorging van kinderen buiten beschouwing moeten blijven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beperkingen vastgesteld op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Dat appellante wordt ondersteund door hulpinstanties, maakt niet dat verdergaande beperkingen aangenomen hadden moeten worden. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet is gesteld of gebleken dat appellante op de datum in geding een zeer intensieve behandeling onderging die er toe kan leiden dat zij niet meer capabel was om een functie te verrichten. Dat de behandeling van appellante is gericht op overvraging en overprikkeling, heeft voor de verzekeringsartsen geen aanleiding hoeven vormen om meer beperkingen vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische informatie waarin hiervan melding wordt gemaakt, meegenomen in de beoordeling. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat vanwege deze omstandigheden meer beperkingen zouden moeten worden gesteld. Uitgaande van de juistheid van de FML, hebben de beroepsgronden van appellante de rechtbank geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Met betrekking tot het verwerken van prikkels, het geconfronteerd worden met andere collega’s en het verrichten van controlehandelingen, zijn geen beperkingen aangenomen door de verzekeringsartsen. Bovendien is het voor de uitoefening van de geduide functies niet nodig dat appellante veelvuldig contact heeft met haar collega’s.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft verwezen naar de reeds ingediende bezwaar- en beroepsgronden, die als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het Uwv haar beslissing afdoende heeft gemotiveerd. De rechtbank is eraan voorbij gegaan dat bij de WIA-beoordeling minder beperkingen zijn aangenomen dan bij de EZWb. De verzekeringsarts concludeerde in januari 2022 dat een behandeling noodzakelijk was voor herstel. In september 2022 had nog geen behandeling plaatsgevonden. Appellante meent dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de beperkingen juist zijn vastgesteld door de verzekeringsartsen. De betrokkenheid van hulpinstanties, zoals bewindvoerder, sociaal werker en huishoudelijke hulp is onvoldoende meegewogen bij het aannemen van beperkingen en het duiden van de functies in de FML. De beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren zijn niet juist vastgesteld. Appellante heeft haar standpunt herhaald dat de bevindingen van Emergis onvoldoende zijn meegewogen bij het vaststellen van de beperkingen en het duiden van de functies. Appellante meent dat er in de FML ten onrechte geen beperkingen zijn opgenomen voor zelfstandig handelen in het dagelijks functioneren. Zij heeft daarbij gewezen op een verslag van Maatschappelijk Werk Walcheren, een aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de eerder betrokken Thuisbegeleiding. Appellante heeft ook aangevoerd dat er ten onrechte geen beperkingen worden aangenomen op het gebied van huidcontact, terwijl uit het verslag van de verzekeringsarts volgt dat zij regelmatig kampt met eczeem en huiduitslag. Appellante heeft aangevoerd dat uit de omschrijving van de geselecteerde functies textielproductmaker, assemblagemedewerker en medewerker tuinbouw volgt dat de werkomgeving bestaat uit een grote hal of magazijn, waarin 40-50 collega’s arbeid verrichten of de collega’s met regelmaat wisselen. Gezien haar huidige psychische problematiek kan zij het geluid van de hoeveelheid personen en grootte van de ruimte niet verdragen. Het verwerken van al deze prikkels is onmogelijk voor haar op dit moment. Uit de omschrijving van de geselecteerde functies lader/losser en productiemedewerker volgt dat de functie mede bestaat uit controlerende taken. Appellante heeft erop gewezen dat zij al een aantal jaren onder bewind staat, omdat de controle van haar financiën te veel vergt. Ditzelfde geldt voor de huishoudelijke taken. Zij acht zich niet in staat in het kader van arbeid controlehandelingen te verrichten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Daaraan wordt naar aanleiding van wat in hoger beroep naar voren is gebracht en ter zitting van de Raad is besproken het volgende toegevoegd.
Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat haar behandeling had moeten worden afgewacht, en dat inmiddels in therapie wordt vastgesteld wat haar zo kwetsbaar maakt, ook op de datum in geding. De Raad overweegt dat de omstandigheid dat een behandeling nog niet is gestart of afgerond, op zichzelf niet maakt dat reeds daarom sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts heeft op basis van het spreekuur van 20 september 2022 de belastbaarheid van appellante als stationair ingeschat voor een volgend half jaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de informatie van de behandelaars betrokken bij zijn onderzoek en was bekend met de diagnostische vragen rondom een autismespectrumstoornis (ASS), ADHD, persoonlijkheidspathologie en verminderde begaafdheid. Bovendien wordt overwogen dat een diagnose op zichzelf niet bepalend is voor het aannemen van beperkingen. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat rekening is gehouden met psychische klachten van appellante als gevolg van de belasting in haar privé situatie. Vanwege de kwetsbaarheid van appellante heeft de verzekeringsarts met name uit preventief oogpunt beperkingen vastgelegd in de FML van 22 september 2022. Appellante is aangewezen geacht op een voorspelbare werksituatie, zonder frequente storingen en onderbrekingen, geen frequente pieken en deadlines en geen hoog handelingstempo. Zij is beperkt voor conflicthantering en kan intensieve en/of langdurige contacten met klanten, patiënten en hulpbehoevenden niet aan. Leidinggeven is geheel niet mogelijk. Daarnaast zijn vanwege de lichamelijke klachten fysieke beperkingen vastgelegd in de FML ten aanzien van grove schokken op de nek en schouders, duwen en trekken, tillen en dragen en actief zijn boven schouder hoogte. Appellante is verder vanuit preventief oogpunt ook enigszins beperkt geacht in uren per dag en uren per week en op functies zonder onregelmatigheid. Dat appellante hiermee te kort is gedaan blijkt niet uit de medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat appellante heeft aangegeven dat zij soms kampt met eczeem, maar ook overwogen dat appelante dat ten tijde van de beoordeling niet had en dat als zij soms eczeem heeft dit niet altijd aan haar handen is. Daarom is zij niet structureel beperkt geacht ten aanzien van huidcontact. Wat betreft zelfstandig handelen heeft appellante ook in hoger beroep niet met medische informatie onderbouwd dat zij op 23 mei 2022 beperkt moet worden geacht op dit item. Onder verwijzing naar het CBBS, waar ‘zelfstandig handelen in het dagelijks functioneren’ is gedefinieerd als: ‘het zonder hulp en steun van anderen in staat zijn activiteiten te starten, uit te voeren en te beëindigen’ zag de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden voor een beperking. Hierbij is gewezen op verschillende activiteiten van appellante rond de datum in geding. De in hoger beroep ingezonden informatie van De Zeeuwse gronden van 23 december 2025 en 26 januari 2026 ziet op een behandeling die heeft plaatsgevonden vanaf 31 maart 2025. Er is een diagnostiektraject opgestart waarbij onderzoek zal plaatsvinden naar de intellectuele vaardigheden, autisme en de persoonlijkheidsstructuur van appellante. De rapporten bevatten geen informatie over de datum in geding die nog niet bekend was bij de verzekeringsartsen.
Arbeidskundige beoordeling
Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML van 22 september 2022 wordt met de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. De door appellante gestelde arbeidskundige gronden ten aanzien van de geselecteerde functies houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen. Daarbij wordt nog overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de bezwaarfase gemotiveerd op deze gronden is ingegaan en de functies heeft bekeken en beoordeeld op de belastbaarheid die voor appellante is vastgelegd per 23 mei 2022. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) M.G.J. van Eck