SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/844 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2025, 24/3360 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 11 mei 2023 heeft vastgesteld op 45,04%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.J.L.M. van den Reek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Partijen hebben via videobellen deelgenomen aan de zitting. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Reek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als senior service specialist voor 46,57 uur per week. Op 14 mei 2020 heeft hij zich ziekgemeld met nekklachten met uitstraling in de linkerarm en met rugklachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige in opleiding, van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 juni 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige in opleiding heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 41,74%. Het Uwv heeft bij besluit van 9 augustus 2023 aan appellant met ingang van 11 mei 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en medische informatie ingebracht. Na een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op verzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep een neurologische expertise plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van de bevindingen uit de expertise en de eigen bevindingen geen aanleiding gezien de FML van 6 juni 2023 aan te passen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft wel het maatmaninkomen aangepast en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vastgesteld. Bij besluit van 12 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd naar 45,04%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en appellant gezien op het spreekuur van 6 juni 2023. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het kader van de heroverweging het dossier bestudeerd en de hoorzitting op 11 juni 2024 bijgewoond. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een neurologische expertise laten verrichten door WPEX. Op basis van zijn eigen onderzoek en de in zijn opdracht verrichte expertise heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML onderschreven. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat appellant met wat hij heeft aangevoerd geen twijfel heeft doen ontstaan aan de juistheid van de besluitvorming van het Uwv. Hiertoe is overwogen dat het Uwv bekend is met de psychische klachten van appellant en met zijn rug- en nekklachten. De verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat appellant beschikt over benutbare mogelijkheden, maar dat er wel beperkingen in de mentale en fysieke belastbaarheid zijn. In de FML zijn daarom beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. Over de betwisting door appellant van de conclusie van de door het Uwv ingeschakelde neuroloog heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen informatie van een (behandelend) arts heeft overgelegd waarin een beredeneerd ander standpunt is neergelegd over zijn medisch beeld. Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij in het geheel niet kan werken, heeft de rechtbank overwogen dat appellant die stelling evenmin met (nieuwe) medische informatie (van de behandelend sector) heeft onderbouwd. Wat betreft de door appellant gestelde noodzaak van een urenbeperking dan wel beperking voor avond- of nachtwerk, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zowel in zijn rapportage in bewaar van 1 augustus 2024 als in zijn aanvullende rapportage in beroep van 21 november 2024 gemotiveerd uiteengezet waarom geen noodzaak bestaat voor het aannemen van een urenbeperking of beperking qua werktijden. De niet met medische stukken onderbouwde visie van appellant dat hij hierdoor overbelast wordt, is voor de rechtbank onvoldoende om aan dit oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende adequaat gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn. In beroep heeft appellant zich specifiek gericht op het beeldschermwerk dat de kern vormt van alle functies. De rechtbank heeft overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op dit punt heeft gereageerd in zijn rapport van 9 augustus 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op toereikende wijze toegelicht dat appellant niet beperkt is op het werken met toetsenbord/muis. Voor zover er signaleringen op 4.15 (hoofdbewegingen) voorkomen in de functies zijn deze toegelicht, namelijk dat in de geselecteerde kantoorfuncties geen sprake is van plotselinge of extreme hoofdbewegingen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de medische rapporten weliswaar ‘op het oog’ zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Het Uwv is echter recent niet positief in het nieuws geweest over keuringen door (verzekerings)artsen. Bij een interne steekproef is gebleken dat veel schattingen niet juist zijn en dat het vaststellen van de urenbeperking in meer dan 50% van de gevallen niet juist is geweest. Dat is juist één van de punten die appellant ter discussie heeft gesteld. In de anamnese door de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijken wel degelijk aanknopingspunten te vinden om een urenbeperking aan te nemen op grond van energetische beperkingen in verband met de pijnklachten van appellant. Al jaren heeft appellant te kampen met chronische rugpijn die wel geobjectiveerd is. Als gevolg daarvan heeft hij pijnklachten die hem weerhouden zich lichamelijk zwaar in te spannen. Diezelfde pijnklachten houden appellant ’s nachts wakker. Hij is voor die pijnklachten behandeld maar dat heeft niet het gewenste resultaat gehad. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Hiertoe heeft appellant aangevoerd dat hij een achterstand heeft op het Uwv omdat hij niet kan controleren of de verzekeringsartsen de medisch informatie op de juiste wijze hebben vertaald in een FML. Daarbij heeft appellant opnieuw gewezen op de publicaties over de resultaten van een interne steekproef bij het Uwv. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld bevindt appellant zich wel in een situatie van bewijsnood. Appellant heeft het advies van zijn behandelaars gekregen dat hij moet leren leven met zijn klachten. Dat hij moet ontspannen en alles moet vermijden wat de pijn triggert. Dat is ook de reden dat appellant de deur bij de behandelende sector niet platloopt, wat er weer toe leidt dat er niet veel informatie beschikbaar is rond de datum in geding.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 45,04% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn medische beperkingen is een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische argumenten genoemd en geen nieuwe medische informatie overgelegd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Daar voegt de Raad het volgende aan toe.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de door de verzekeringsartsen verrichte onderzoeken en de op grond van die onderzoeken vastgestelde belastbaarheid van appellant. Daarnaast is appellant uitgebreid lichamelijk onderzocht door een neuroloog van WPEX. De neuroloog is tot de conclusie gekomen dat de door appellant genoemde beperkingen zoals die ook in het dagschema tot uiting komen, geen neurologisch radiculair substraat hebben. De Raad heeft geen reden aan de deskundigheid van de neuroloog te twijfelen. De bevindingen van de neuroloog sluiten aan bij de observaties door de verzekeringsarts rond de datum in geding en bij de eerdere bevindingen van de specialisten bij een stabiel gebleven medische situatie. Wat betreft het niet aannemen van een urenbeperking heeft de rechtbank terecht verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 augustus 2024 en van 21 november 2024. Uit het rapport van 25 augustus 2023 komt naar voren dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn onderzoek en gelet op de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid (hierna: Standaard) kenbaar aandacht heeft besteed aan de vraag of een urenbeperking had moeten worden vastgesteld. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder meer vastgesteld dat appellant op datum in geding geen dusdanig ernstige stoornis had dat substantiële moeheid of energieverlies hieruit rechtstreeks zou moeten volgen. Het betreft geen aandoening waarvan bekend is dat zij veelal met een verlies van energie gepaard gaat zoals hart- en longziekten, ernstige spierziekten of neurologische aandoeningen. Appellant is ook niet bekend met een stoornis die (standaard) gepaard gaat verminderde mogelijkheden tot recuperatie. De geclaimde ernstige vermoeidheid en forse energetische klachten zijn dus niet geobjectiveerd. Er zijn geen aanknopingspunten om de verzekeringsarts bezwaar en beroep in deze conclusie niet te volgen. Wat appellant heeft aangevoerd over de wijze waarop in de media is bericht over fouten bij Uwv-keuringen maakt dat niet anders. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 20 maart 2025 overweegt de Raad dat die informatie te algemeen is om daaruit af te leiden dat het Uwv in dit concrete geval fouten heeft gemaakt of onzorgvuldig heeft gehandeld. Nu appellant (ook) in hoger beroep geen medische informatie heeft overgelegd die twijfel doet rijzen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen, ziet ook de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.
Het betoog dat er sprake is van wapenongelijkheid slaagt evenmin. Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt. Het dossier bevat diverse brieven van zijn neuroloog uit 2019 en 2020, brieven van zijn huisarts uit 2021 en 2022, een brief van een pijnconsulent uit 2023 en een ongedateerde brief van een fysiotherapeut. Niet kan worden gezegd dat deze stukken naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling van het Uwv. Het feit dat appellant zijn behandelende arts niet regelmatig bezoekt, biedt op zichzelf onvoldoende grond om in zaken als deze, vanuit een oogpunt van wapenongelijkheid, een deskundige te benoemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft juist aanleiding gezien om een expertise bij een neuroloog aan te vragen, vanwege de vele discrepanties tussen de oordelen van de primaire artsen en hetgeen appellant claimde.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv, gelet op en met inachtneming van de voor appellant vastgestelde beperkingen, voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellant.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45,04% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) M.G.J. van Eck