SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:108 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juni 2025, 24/2527
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats], Italië (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk (college)
Datum uitspraak: 6 januari 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of er aanleiding bestaat terug te komen van een eerdere uitspraak van de Raad.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft met een brief van 2 augustus 2025 verzocht om herziening van de door de Raad op 3 juni 2025 tussen partijen gewezen uitspraak. Bij die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2024, 24/7784, niet slaagt. De Raad heeft deze uitspraak, met verbetering van gronden, bevestigd.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 3 juni 2025.
2. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening, kort samengevat, gesteld dat de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht door corruptie tot stand is gekomen. Ter onderbouwing daarvan heeft hij de onpartijdigheid van de raadsheer die de zaak op 8 mei 2025 op zitting heeft behandeld in twijfel getrokken en gesteld dat de gemeente Katwijk druk heeft uitgeoefend in de betreffende procedure. Als gevolg daarvan zou geen sprake zijn geweest van een eerlijk proces. Tot slot heeft verzoeker gesteld dat ten onrechte geen proces-verbaal is opgemaakt van de zitting van 8 mei 2025.
Het oordeel van de Raad
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
waren zij bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Volgens vaste rechtspraak dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden die hierboven zijn vermeld.
De Raad stelt vast dat verzoeker geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Volledigheidshalve wordt gewezen op de brief van de Raad van 9 september 2025, waarin het verzoek om het verstrekken van een proces-verbaal van de zitting van 8 mei 2025 wordt afgewezen, nu niet gebleken is van enig belang bij het verstrekken hiervan. Wat verzoeker overigens heeft aangevoerd, onder meer over de gestelde partijdigheid van rechters en griffiers en de handelwijze van de gemeente Katwijk, is daarnaast in het geheel niet onderbouwd.
Het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 juni 2025 is kennelijk ongegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 3 juni 2025 in stand blijft.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.