26/578 ONBEK-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
26/578 ONBEK-VV
Uitspraak als bedoeld in de artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum uitspraak: 8 april 2026
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2026, 25/5276 en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening en nadere stukken ingediend.
OVERWEGINGEN
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, als tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
In artikel 8:83, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.
Uit de functie van artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening onder meer moet voldoen aan de vereisten van formele connexiteit. Dat betekent dat voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig is dat tegen een uitspraak hoger beroep aanhangig is bij de Centrale Raad van Beroep.
Op 1 april 2026 heeft de Raad uitspraak gedaan op het hoger beroep (kenmerk 26/384 ONBEK) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2026.
Dit betekent dat er geen connexe hoofdzaak meer is en dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.
Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter dat verzoek niet inhoudelijk behandelt en dat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak doet zonder zitting.
Voor een vergoeding van proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.