SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
22/2887 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2022, 21/1933 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Oirschot (college)
Datum uitspraak: 31 maart 2026
In deze zaak gaat het over een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen, de kosten van een oogmeetkundig onderzoek en de kosten van bifocale brillenglazen. Volgens het college heeft appellante geen recht op bijzondere bijstand, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een passende en toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de PW is. In beginsel kan geen bijstand worden verleend indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten. Appellante vindt dat zij wel recht heeft op bijzondere bijstand. Zij stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, dat er geen sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening en dat er zeer dringende redenen zijn om toch bijstand te verstrekken. Zij stelt verder dat de besluitvorming in strijd is met bepalingen uit het VN-Gehandicaptenverdrag en een VN-resolutie. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Duurtsema, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Duurtsema en door [naam begeleider] , begeleider. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van Bree.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontvangt bijstand ingevolge de PW naar de norm voor een alleenstaande. Op 7 oktober 2020 heeft zij bijzondere bijstand op grond van de PW aangevraagd voor de kosten van de op basis van de Zvw verschuldigde eigen bijdrage voor orthopedische schoenen ter hoogte van € 127,- en de kosten van een bril met bifocale glazen van in totaal € 238,30. Hierin is begrepen een bedrag voor het montuur, de glazen en een oogmeetkundig onderzoek. Op 22 december 2020 heeft appellante nog een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor onder meer de kosten in verband met aquajogging.
Naar aanleiding van de onder 1.1 genoemde aanvragen heeft het college bij brief van 11 februari 2021 aan appellante kenbaar gemaakt dat voor deze kosten de Zvw in beginsel een voorliggende voorziening is die aan verlening van bijzondere bijstand in de weg staat. Het dagelijks bestuur heeft appellante in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen of er in haar geval sprake is van zeer dringende redenen die moeten leiden tot het verstrekken van bijzondere bijstand voor deze kosten. Appellante heeft daarop gereageerd met een brief van 13 februari 2021, waarin zij – kort gezegd – heeft vermeld dat sprake is van zeer dringende redenen en waaruit deze bestaan.
Met een besluit van 11 mei 2021, voor zover hier van belang en na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 8 juli 2021 (bestreden besluit), heeft het college de aanvragen om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen, de kosten van de brillenglazen, de kosten van het oogmeetkundig onderzoek en de kosten van aquajogging afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat artikel 15, eerste lid, van de PW aan bijstandsverlening in de weg staat, omdat de Zvw voor de gevraagde kosten een passende en toereikende voorliggende voorziening is. Uit wat appellante heeft aangevoerd is niet gebleken dat sprake is van een acute medische noodsituatie, zodat er geen zeer dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover het college daarbij de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van aquajogging heeft gehandhaafd. Voor het overige was de rechtbank, kort samengevat, van oordeel dat het college de aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen en de kosten van het oogmeetkundig onderzoek en de brillenglazen terecht heeft afgewezen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand voor de onder 2 genoemde kosten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke en verdragsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Tussen partijen is alleen nog in geschil of het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen tot een bedrag van € 127,- en de kosten van het oogmeetkundig onderzoek en bifocale brillenglazen van samen € 167,30 terecht heeft afgewezen.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Appellante heeft aangevoerd dat het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door niet voorafgaand aan de besluitvorming een medisch onderzoek te laten verrichten naar haar situatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Tussen partijen bestaat geen geschil over de aard en omvang van de medische beperkingen van appellante. Alleen al daarom bestond er voor het college geen aanleiding om een medisch onderzoek te laten verrichten. Ook voor zover deze beroepsgrond zo moet worden begrepen dat appellante meent dat er voor het college aanleiding bestond haar medisch te laten onderzoeken omdat zij een beroep heeft gedaan op zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW, slaagt die beroepsgrond niet. Volgens vaste rechtspraak, zie hierna onder 4.4.2, ligt de bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW op degene die daar een beroep op doet. In dit geval is dat appellante. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake.
Voorliggende voorziening
Appellante voert verder aan dat de Zvw geen passende en toereikende voorliggende voorziening is, omdat zij daar voor de hier in geschil zijnde kosten geen beroep op kan doen. Een voorliggende voorziening is volgens appellante alleen passend en toereikend als de kosten op grond van die voorziening volledig voor vergoeding in aanmerking komen en dat is bij haar niet het geval. Daarnaast is de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen veel hoger dan de prijs van een regulier paar schoenen. Daarom had het college rekening moeten houden met de NIBUD-norm voor schoenen en bijzondere bijstand ter hoogte van het verschil tussen de NIBUD-norm en de eigen bijdrage moeten toekennen. De beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.
Het recht op bijstand strekt zich niet uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Dit staat in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW. Gelet op deze bepaling heeft de PW geen functie indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van vergoeding van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Hieraan ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de PW er niet toe strekt om bewuste keuzes van de wetgever materieel ongedaan te maken. Zou ondanks de keuze van de wetgever bepaalde kosten slechts gedeeltelijk te vergoeden niettemin bijstand worden verleend, dan zou het functioneren van een voorliggende voorziening worden doorkruist.
Voor de hier aan de orde zijnde kosten betekent wat in 4.3.2 is overwogen het volgende. Niet in geschil is dat de hier aan de orde zijnde kosten onder de reikwijdte van de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering vallen. Daarmee is de Zvw een voorliggende voorziening. Als het gaat om medische zorg die niet behoort tot de zorg die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komt, kan er in beginsel van worden uitgegaan dat in de Zvw de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Dat appellante als gevolg van die keuze niet al haar kosten vergoed krijgt, maakt, anders dan zij heeft aangevoerd, niet dat geen sprake is van een passende en toereikende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de PW.Dit betekent ook dat aan de vraag of het college bijzondere bijstand had moeten toekennen ter hoogte van het verschil tussen de eigen bijdrage en de prijs van een regulier paar schoenen niet wordt toegekomen.
Wat in 4.3.3 is overwogen wordt niet anders voor zover appellante ook heeft aangevoerd dat de hier in geschil zijnde kosten alleen om financiële redenen niet of niet geheel op grond van de Zvw worden vergoed en er om die reden toch aanleiding bestaat haar bijzondere bijstand toe te kennen. Daarvoor is het volgende van belang.
Zoals volgt uit de uitspraak van 26 november 2024, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat de keuze van de wetgever om op grond van de Zvw de hier in geschil zijnde kosten niet of niet volledig te vergoeden niet berust op louter budgettaire redenen. Het ligt op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat deze vooronderstelling niet opgaat. Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft voor haar standpunt geen enkele onderbouwing gegeven.
Appellante heeft ter zitting nog gesteld dat zij te maken heeft met een cumulatie van eigen bijdragen. In het midden kan hier blijven of dat ertoe leidt dat geen sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening. Appellante heeft die cumulatie van kosten in het geheel niet onderbouwd en dus ook niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is.
Zeer dringende redenen
Verder heeft appellante aangevoerd dat er zeer dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 16, eerste lid, PW om toch bijzondere bijstand toe te kennen. Zij raakt zonder de hulpmiddelen waar de onderhavige aanvragen om bijzondere bijstand voor zijn ingediend, meer en blijvend invalide en kan daardoor niet meer participeren in de maatschappij. Ter onderbouwing heeft zij ter zitting brieven van 16 februari 2026 van haar fysiotherapeut en van 3 februari 2026 van haar GGZ-casemanager overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.
Appellante doet met haar beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering op de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de PW. Daarom moet appellante aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak.
Appellante is niet in deze bewijslast geslaagd. Uit de brieven van de fysiotherapeut en de GGZ-casemanager blijkt dat appellante gelet op haar medische beperkingen de hulpmiddelen nodig heeft, maar daaruit volgt niet dat, indien appellante van die hulpmiddelen verstoken blijft, ook sprake is van een acute noodsituatie als bedoeld in 4.4.2. Daarover zeggen de genoemde brieven niets.
Het VN-Gehandicaptenverdrag en de VN-resolutie
Appellante heeft ten slotte gewezen op artikelen 25 en 26 van het VNGehandicaptenverdrag en op de VN-resolutie van de Algemene Vergadering van 4 maart 1994. Zij heeft betoogd dat het college op grond hiervan gehouden is om te voorzien in de kosten die zij van haar zorgverzekering niet vergoed krijgt.
Deze grond slaagt alleen al niet omdat in deze bepalingen en in de resolutie niet een dergelijke verplichting is opgenomen. Of aan die bepalingen en de resolutie rechtstreekse werking toekomt, kan hier daarom in het midden blijven.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen en de kosten van het oogmeetkundig onderzoek en brillenglazen in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) A.T. Dannenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke en verdragsregels
Participatiewet
Artikel 15, eerste lid
Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
(…)
Artikel 16, eerste lid
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
(…)
VN-Gehandicaptenverdrag
Artikel 25. Gezondheid
De Staten die Partij zijn erkennen dat personen met een handicap zonder discriminatie op grond van hun handicap recht hebben op het genot van het hoogst haalbare niveau van gezondheid. De Staten die Partij zijn nemen alle passende maatregelen om personen met een handicap de toegang te waarborgen tot diensten op het gebied van seksespecifieke gezondheidszorg, met inbegrip van revalidatie. In het bijzonder zullen de Staten die Partij zijn:
- personen met een handicap voorzien van hetzelfde aanbod met dezelfde kwaliteit en volgens dezelfde normen voor gratis of betaalbare gezondheidszorg en –programma’s die aan anderen worden verstrekt, waaronder op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid, en op de populatie toegesneden programma’s op het gebied van volksgezondheid;
- die diensten op het gebied van gezondheidszorg verschaffen die personen met een handicap in het bijzonder vanwege hun handicap behoeven, waaronder vroegtijdig opsporen en, zo nodig, ingrijpen, diensten om het ontstaan van nieuwe handicaps te beperken en te voorkomen, ook onder kinderen en ouderen;
- deze gezondheidsdiensten zo dicht mogelijk bij de eigen gemeenschap van de mensen verschaffen, ook op het platteland;
- van vakspecialisten in de gezondheidszorg eisen dat zij aan personen met een handicap zorg van dezelfde kwaliteit verlenen als aan anderen, met name dat zij de in vrijheid, op basis van goede informatie, gegeven toestemming verkrijgen van de betrokken gehandicapte, door onder andere het bewustzijn bij het personeel van de mensenrechten, waardigheid, autonomie en behoeften van personen met een handicap te vergroten door middel van training en het vaststellen van ethische normen voor de publieke en private gezondheidszorg;
- discriminatie van personen met een handicap verbieden bij de verstrekking van een ziektekostenverzekering, en van een levensverzekering indien een dergelijke verzekering is toegestaan volgens het nationale recht, welke verstrekking naar redelijkheid en billijkheid zal plaatsvinden;
- voorkomen dat gezondheidszorg, gezondheidsdiensten, voedsel en vloeistoffen op discriminatoire gronden vanwege een handicap worden ontzegd.
Artikel 26. Habilitatie en revalidatie
1. De Staten die Partij zijn nemen doeltreffende en passende maatregelen, onder andere via ondersteuning door lotgenoten, om personen met een handicap in staat te stellen de maximaal mogelijke onafhankelijkheid, fysieke, mentale, sociale en beroepsmatige vaardigheden te verwerven en volledige opname in en participatie in alle aspecten van het leven. Daartoe organiseren en versterken de Staten die Partij zijn uitgebreide diensten en programma’s op het gebied van habilitatie en revalidatie en breiden zij deze uit, met name op het gebied van gezondheid, werkgelegenheid, onderwijs en sociale diensten en wel zodanig dat deze diensten en programma’s:
- in een zo vroeg mogelijk stadium beginnen en gebaseerd zijn op een multidisciplinaire inventarisatie van de behoeften en mogelijkheden van de persoon in kwestie;
- de participatie in en opname in de gemeenschap en alle aspecten van de samenleving ondersteunen, vrijwillig zijn en beschikbaar zijn voor personen met een handicap, zo dicht mogelijk bij hun eigen gemeenschappen, ook op het platteland.
2. De Staten die Partij zijn stimuleren de ontwikkeling van basis- en vervolgtrainingen voor vakspecialisten en personeel dat werkzaam is in de dienstverlening op het gebied van habilitatie en revalidatie.
3. De Staten die Partij zijn stimuleren de beschikbaarheid, kennis en het gebruik van ondersteunende instrumenten en technologieën die zijn ontworpen voor personen met een handicap, voor zover zij betrekking hebben op habilitatie en revalidatie.