SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats], Israël (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak: 15 januari 2026
De periodieke uitkering van appellante is met terugwerkende kracht van vijf jaar opnieuw vastgesteld omdat zij een zogeheten ‘Wiedergutmachung’ ontvangt. De Wiedergutmachung heeft overwegend een inkomstenvervangend karakter en wordt om die reden als overige inkomsten op de uitkering in mindering gebracht. De Raad ziet geen aanleiding om zijn vaste rechtspraak op dit punt te wijzigen. Ten aanzien van de terugvordering van de teveel uitbetaalde uitkering wordt het beroep op het evenredigheidsbeginsel afgewezen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.F.P. de Clercq, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 februari 2025, kenmerk BZ011669785 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wuv. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2025. Voor appellante is verschenen haar zoon [naam zoon] en haar gemachtigde mr. De Clercq. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontvangt sinds 2006 een periodieke uitkering als weduwe van een vervolgde in de zin van de Wuv.
In mei 2023 heeft appellante verzocht om een nieuwe vaststelling van haar periodieke uitkering.
Met een brief van 14 november 2023 heeft verweerder aan appellante meegedeeld dat uit de door appellante overgelegde inkomensgegevens naar voren is gekomen dat zij inkomsten uit hoofde van de Wiedergutmachung ontvangt en dat verweerder van deze inkomsten niet op de hoogte was. Verweerder heeft aangekondigd dat mogelijk herziening van de uitkering zal plaatsvinden en zal worden beoordeeld of de uitkering met terugwerkende kracht moet worden herberekend.
Met een besluit van 12 april 2024 heeft verweerder met ingang van 1 november 2018 de periodieke uitkering van appellante opnieuw vastgesteld. Daarbij is vastgesteld dat aan appellante een bedrag aan uitkering te veel is uitbetaald.
Met een besluit van 10 juli 2024 vordert verweerder het teveel uitgekeerde bedrag van € 46.870,34 van appellante terug. Ter vereffening van het teveel uitgekeerde bedrag heeft verweerder te kennen gegeven dat met ingang van augustus 2024 maandelijks een bedrag op de uitkering van appellante in mindering zal worden gebracht.
Verweerder heeft met het bestreden besluit de bezwaren tegen de besluiten van 12 april 2024 en 10 juli 2024 ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de Wiedergutmachung als overige inkomsten in de zin van de Wuv wordt beschouwd omdat de Wiedergutmachung overwegend een inkomensvervangend karakter heeft. Gelet op het inkomstenaanvullende karakter van de Wuv moeten uitkeringen als deze gekort worden op de Wuv. Rekening houdend met de Wiedergutmachung is de uitkering met een terugwerkende kracht van vijf jaar opnieuw vastgesteld en wordt het daardoor vastgestelde, teveel betaalde bedrag aan uitkering terecht teruggevorderd en vereffend, aldus verweerder.
Het oordeel van de Raad
2. De Raad beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van wat appellante in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.
Appellante stelt dat de Wiedergutmachung een schadevergoeding is omdat zij door de oorlog in haar kinderjaren (lichamelijke) schade heeft opgelopen. Er is geen sprake van een inkomensvervangend karakter. Appellante betoogt dan ook dat voor de Wiedergutmachung een ander regime moet gelden, waarbij zij een vergelijking maakt met een vergoeding bij, onder meer, de politie wegens beroepsmatig geleden immateriële schade. Een dergelijke schadevergoeding wordt volgens haar niet als inkomsten aangemerkt.
De Raad volgt het betoog van appellante niet. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de Wiedergutmachung als “overige inkomsten” in de zin van artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wuv op de periodieke uitkering in mindering moet worden gebracht omdat de Wiedergutmachung een overwegend inkomensvervangend karakter heeft. Zoals ook blijkt uit het toekenningsbesluit van de Wiedergutmachung is het toekennen gelegen in de omstandigheid dat appellante gehinderd is in de persoonlijke ontwikkeling en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt waardoor er inkomensverlies is ontstaan. Dat appellante ten tijde van het oplopen van de schade nog een kind was en niet deelnam aan het arbeidsproces kan daaraan niets afdoen, omdat het gaat om het karakter van de Wiedergutmachung. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad dan ook geen aanleiding zijn vaste rechtspraak op dit punt te wijzigen.
Met betrekking tot de terugvordering en vereffening van het teveel aan haar uitgekeerde bedrag heeft appellante een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Zij stelt dat de korting van de Wiedergutmachung op haar periodieke uitkering leidt tot onevenredige financiële gevolgen. Dat de terugvordering voor appellante leidt tot zulke nadelige gevolgen en dat dit onevenredig is in de verhouding tot de met het besluit te dienen doelen is door appellante niet met gegevens onderbouwd. Door het gebrek aan een deugdelijke onderbouwing door appellante ziet de Raad geen omstandigheid op grond waarvan verweerder van de terugvordering en vereffening van het teveel uitbetaalde uitkering had moet afzien vanwege onevenredig nadelige gevolgen De Raad merkt terzijde op dat, zoals ook op de zitting aan de orde is geweest en verweerder in het verweerschrift heeft gesteld, appellante is uitgenodigd om in contact te treden met verweerder met betrekking tot de vereffening van het te veel uitgekeerde bedrag. Daarbij geldt volgens verweerder dat als haar situatie noopt tot een andere aflossingsregeling, de vereffening zal worden aangepast aan de hand van de door appellante te verstrekken (financiële) gegevens.
Conclusie en gevolgen
Het beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
3. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
(getekend) H. Lagas
(getekend) B.F.C. Wiedenhof