SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/581 WIA, 25/794 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 februari 2025, 22/4976, 22/5338 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 6 mei 2026
Het gaat in de eerste zaak over de vraag of het Uwv de invordering van de over de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 te veel ontvangen WIA-uitkering op grond van het vertrouwensbeginsel moet vaststellen op een lager bedrag dan € 1.459,15 netto. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.
Het gaat in de tweede zaak over de vraag of het Uwv het maandelijks af te lossen bedrag per 4 oktober 2022 terecht heeft vastgesteld op € 963,-. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 maart 2026. Appellant is verschenen, samen met zijn partner [naam partner] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff-Eggink.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het Uwv heeft appellant met ingang van 21 maart 2017 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Bij besluit van 24 juni 2020 heeft het Uwv het recht van appellant op WIA-uitkering over de periode van 3 januari 2019 tot en met 26 mei 2020 ingetrokken omdat appellant in Duitsland in detentie verbleef. De WIA-uitkering is hervat per 27 mei 2020, omdat appellant vanaf die datum niet langer gedetineerd was. Bij besluit van eveneens 24 juni 2020 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 17.998,41 bruto teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen deze besluiten heeft het Uwv bij besluit van 11 december 2020 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant over de periode van 3 januari 2019 tot en met 26 mei 2020 geen recht had op een WIA-uitkering, omdat hij toen in detentie zat. Van deze omstandigheid heeft appellant het Uwv niet zo spoedig als mogelijk geïnformeerd, zodat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Bij uitspraak van 27 oktober 2021 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 december 2020 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 augustus 2023 heeft deze Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Appellant heeft op 16 september 2021 doorgegeven aan het Uwv dat hij per 13 juli 2021 werkzaamheden is gaan verrichten. Op 23 september 2021 heeft het Uwv te kennen gegeven dat de WIA-uitkering vanaf 21 juni 2021 als voorschot wordt uitbetaald. Bij besluit van 27 januari 2022 heeft het Uwv de WIA-uitkering over de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 definitief berekend. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant over deze periode een bedrag van € 2.032,32 bruto te veel aan uitkering heeft ontvangen en heeft dit bedrag van appellant teruggevorderd. Appellant heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan.
Bij besluit van 14 maart 2022 (primair besluit 1, de invordering) heeft het Uwv appellant verzocht om binnen zes weken een bedrag van € 2.032,32 bruto te betalen. Bij besluit van 5 september 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 12 april 2022 (primair besluit 2, de vaststelling maandelijkse aflossingscapaciteit) heeft het Uwv aan appellant bericht dat hij in totaal nog € 17.342,19 moet terugbetalen. Het Uwv heeft het maandelijks te betalen bedrag, met inachtneming van de voor appellant geldende beslagvrije voet van € 1.692,-, vastgesteld op € 963,-. Bij besluit van 4 oktober 2022 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft op 14 februari 2025 uitspraak gedaan en als volgt geoordeeld.
De rechtbank heeft in de invorderingszaak geoordeeld dat het Uwv bij het nemen van besluit 1 alle relevante feiten en omstandigheden voldoende heeft meegewogen. De rechtbank heeft uit een brief van 3 juni 2024 begrepen dat het Uwv uitsluitend uit coulance het terug te vorderen bedrag heeft bijgesteld naar een bedrag van € 1.459,15 netto. In verband daarmee heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het bestreden besluit 1 vernietigd uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het terug te vorderen bedrag, dit bedrag vastgesteld op € 1.459,15 netto en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit 1.
In de zaak over de aflossingscapaciteit heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv bij de vaststelling van het termijnbedrag heeft gekeken naar het, uit de polisadministratie blijkende, loon van appellant bij zijn werkgever in de maanden oktober 2021 tot en met december 2021. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant de juistheid van de gegevens uit de polisadministratie niet betwist, wat betekent dat het Uwv mag uitgaan van deze gegevens. De rechtbank heeft vastgesteld dat voor appellant een beslagvrije voet geldt van € 1.692,-, en dat daaruit in beginsel alle basiskosten van het levensonderhoud kunnen worden betaald. Appellant heeft gedurende de besluitvorming geen stukken aan het Uwv toegezonden waaruit blijkt dat die berekening onjuist is. De aflossingscapaciteit van appellant is vastgesteld op € 2.655,- (het netto-inkomen van appellant) minus € 1.692,- (de beslagvrije voet die voor appellant geldt) = € 963,-. De rechtbank heeft geen reden gezien om deze berekening voor onjuist te houden. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het Uwv ten tijde van het nemen van bestreden besluit 2 op de juiste wijze het termijnbedrag (de aflossingscapaciteit) van appellant heeft berekend.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.
Appellant heeft (in de zaak geregistreerd onder nummer 25/581 WIA) aangevoerd dat het Uwv hem omstreeks augustus 2024 telefonisch heeft laten weten dat de vordering (verder) verlaagd zou worden naar € 1.043,- netto. Dit zou nog schriftelijk bevestigd worden. Appellant heeft die schriftelijke bevestiging evenwel nooit ontvangen.
Appellant heeft (in de zaak geregistreerd onder nummer 25/794 WIA) herhaald dat het door het Uwv per 4 oktober 2022 vastgestelde maandelijkse termijnbedrag van € 963,- te hoog is. Volgens appellant heeft het Uwv dit, na de uitspraak van de rechtbank, ook ingezien en daarom het maandelijkse termijnbedrag verlaagd naar € 400,-.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, voor zover aangevochten.
Naar aanleiding van de stelling van appellant dat het Uwv hem omstreeks augustus 2024 zou hebben toegezegd dat de vordering verder verlaagd zou worden naar een netto bedrag van € 1.043,- heeft het Uwv onderzoek verricht in de systemen. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat daaruit blijkt dat op 19 juni 2024 telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen appellant en het Uwv-kantoor te Heerlen. Uit de telefoonnotitie van dat gesprek, overgelegd door het Uwv, blijkt dat appellant is medegedeeld dat op verzoek van de afdeling Bezwaar & Beroep de vordering is verlaagd naar € 1.459,15, wat in overeenstemming is met de brief van 3 juni 2024 van het Uwv aan de rechtbank. Het Uwv heeft gesteld dat uit geen enkel ander stuk blijkt dat een toezegging is gedaan dat de terugvordering verder zou worden verlaagd, en dat uit de systemen niet blijkt dat er tussen 19 juni 2024 en 14 januari 2025 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden met appellant.
In reactie op de stelling van appellant dat het Uwv inmiddels ook heeft ingezien dat het termijnbedrag van € 963,- niet reëel is en dit heeft verlaagd naar € 400,- heeft het Uwv verwezen naar een bijgevoegd besluit van 17 maart 2025. Daaruit blijkt dat aan de verlaging van het maandelijkse termijnbedrag naar € 400,- (mede) ten grondslag ligt dat de werkgever van appellant in één keer een bedrag van € 2.369,02 aan het Uwv heeft betaald. Uit het besluit van 17 maart 2025 blijkt ook dat het Uwv het maandelijkse termijnbedrag heeft vastgesteld op € 400,-, dat dit lager is dan het bedrag dat appellant kan aflossen, maar dat een uitzondering is gemaakt vanwege de persoonlijke situatie van appellant.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt de uitspraak van de rechtbank aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Appellant heeft gesteld dat het Uwv hem omstreeks augustus 2024 telefonisch heeft laten weten dat de vordering (verder) verlaagd zou worden naar € 1.043,- netto. Daarmee heeft appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van 4 maart 2020.
Appellant heeft te kennen gegeven dat de mededeling dat de vordering (verder) verlaagd zou worden telefonisch is gedaan, en dat hij daarvan geen schriftelijke bevestiging heeft ontvangen. Het Uwv heeft, na onderzoek te hebben verricht in de systemen, ontkend dat een dergelijke toezegging is gedaan. De Raad komt gelet hierop tot het oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Uwv hem heeft toegezegd dat de vordering verder verlaagd zou worden naar € 1.043,- netto. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
7. Wat appellant over het maandelijkse termijnbedrag van € 963,- in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen.
Conclusie en gevolgen
8. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat het in te vorderen bedrag blijft vastgesteld op € 1.459.15 en dat het Uwv het af te lossen bedrag per 4 oktober 2022 terecht heeft vastgesteld op € 963,- per maand.
9. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor eventuele proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) M.G.J. van Eck