BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Met een besluit van 18 oktober 2021 heeft de Svb aan appellant met ingang van 1 april 2021 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 12% van een volledig pensioen, omdat hij in totaal (afgerond) 44 jaar niet in Nederland verzekerd is geweest. Appellant is niet verzekerd geacht in de perioden van 1 april 1971 tot en met 31 augustus 1978, van 1 oktober 1978 tot en met 25 december 1984 en van 1 november 1990 tot en met 31 maart 2021. Met een besluit van 29 juni 2022 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Appellant heeft aangevoerd dat hij verzekerd is geweest voor de AOW in de periode van 1 november 1990 tot 1 januari 2001, omdat hij in die periode een WAO-uitkering ontving van 80-100% en niet van 25-35% waarvan de Svb en de rechtbank zijn uitgegaan.
Dit betoog slaagt niet. Uit de stukken blijkt dat appellant van 16 juni 1987 tot 1 november 1990 een AAW/WAO-uitkering ontving naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Met een besluit van 8 mei 1991 is met ingang van 1 november 1990 de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd naar 25-35%. Dat wordt ook bevestigd door het besluit van 15 november 1996, waarin het arbeidsongeschiktheidspercentage nog verder is verlaagd.
Het betoog dat appellant ten onrechte door de rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld om op een zitting zijn beroep mondeling toe te lichten, slaagt evenmin.
In artikel 8:57, eerste lid, van de Awb staat dat de bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. De rechtbank heeft met de brief van 11 augustus 2023 in overeenstemming met deze bepaling gehandeld.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N. Gios (getekend) L.M. Tobé
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.