ECLI:NL:CRVB:2026:535

ECLI:NL:CRVB:2026:535

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 24/1758 AOW-PV
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Herzieningen terugvordering AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde. Oplegging boete van € 513,39 berekend op 50% van het benadelingsbedrag. Schending inlichtingenverplichting. Samenwonen en het huwelijk niet tijdig gemeld. Terecht geen aanleiding gezien om verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2, vijfde lid en artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten aan te nemen. De boete is terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Er zijn geen dringende redenen aangevoerd om van het opleggen van een boete af te zien. Niet is gebleken dat de boete onevenredig is.

Uitspraak

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellant ontving een AOW-pensioen naar de norm van een ongehuwde. Met een besluit van 2 maart 2023 heeft de Svb het AOW-pensioen vanaf 1 januari 2021 herzien naar de norm van een gehuwde, omdat uit een formulier onderzoek woonsituatie van januari 2023 bleek dat zijn leefsituatie was veranderd.

Met een besluit van 7 juni 2023 heeft de Svb het ten onrechte betaalde AOWpensioen teruggevorderd. Verder is een boete opgelegd van € 513,39. De boete is berekend op 50% van het benadelingsbedrag.

Met een besluit van 1 november 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen de opgelegde boete ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant vindt dat de boete ten onrechte is opgelegd. Appellant wijst er op dat zijn huidige vrouw bij hem is gaan wonen om hem te ondersteunen vanwege zijn fysieke beperkingen. Hij heeft zijn huwelijk in april 2021 telefonisch bij de Svb gemeld en heeft in augustus 2021 kopieën van de trouwakte aan de Svb toegestuurd. Eerdere toezending daarvan was volgens hem niet mogelijk, omdat op de aanvankelijke akte een onjuiste trouwdatum was vermeld. Verder heeft appellant aangevoerd dat er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat de situatie speelde tijdens de COVID-19-pandemie.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de opgelegde boete in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Appellant is op [datum 1] 2020 gaan samenwonen en op [datum 2] 2021 in Costa Rica getrouwd. Uit de feiten en omstandigheden, die met name blijken uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar, volgt dat bij het samenwonen sprake was van wederzijdse zorg. Daarmee was sprake van een gezamenlijke huishouding. Wat de aanleiding is voor de gezamenlijke huishouding is niet relevant. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij zowel het samenwonen als het huwelijk tijdig bij de Svb had moeten melden. Dit blijkt ook uit de brieven van de Svb van 24 september 2012 en 19 september 2013 en appellant heeft dit overigens ook op zitting van de Raad erkend.

Dat appellant het huwelijk voor januari 2023 bij de Svb heeft gemeld, is niet gebleken. Enige onderbouwing daarvan ontbreekt en ook in het dossier van de Svb is hier geen steun voor te vinden. Dat in de coronatijd telefoongesprekken niet door de Svb werden genoteerd, zoals appellant heeft aangevoerd, heeft de Svb ter zitting gemotiveerd bestreden.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door het samenwonen en het huwelijk niet tijdig te melden. De Svb is daarom in beginsel gehouden een boete op te leggen. In de door appellant aangevoerde omstandigheden is terecht geen aanleiding gezien om verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2, vijfde lid en artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten aan te nemen. De boete is daardoor terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Er zijn geen dringende redenen aangevoerd om van het opleggen van een boete af te zien. Tot slot is niet gebleken dat de boete onevenredig is.

Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) N. Gios (getekend) L.M. Tobé

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand