26/504 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
26/504 ANW
Uitspraak als bedoeld in de artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:108 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 november 2024, 23/504
Partijen:
[verzoekster] te [plaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 mei 2026
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak van 11 april 2024 heeft de Raad het hoger beroep van verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2022 (kenmerk 21/146) niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster te laat hoger beroep had ingesteld.
Op 27 november 2024 heeft de Raad het verzet van verzoekster tegen bovengenoemde uitspraak van de Raad ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van27 november 2024, welk verzoek de Raad op 13 november 2025 heeft afgewezen.
Verzoekster heeft bij brief gedateerd 5 maart 2026 verzocht om herziening van laatstgenoemde uitspraak.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld kan alleen van een oorspronkelijke uitspraak om herziening worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak. Het verzoek om herziening van 5 maart 2026 moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van 27 november 2024.
Van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. In een geval als dit, waarin het niet gaat om een bestuurlijke boete en waarin geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gesteld, wordt een verzoek om herziening geacht onredelijk laat te zijn ingediend, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht (zie de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015 en van 21 november 2017).
Bij het herzieningsverzoek van verzoeker zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd. Het herzieningsverzoek heeft betrekking op de oorspronkelijke uitspraak van de Raad van 27 november 2024 en is meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking daarvan ingediend. Het verzoek om herziening van die uitspraak is dan ook onredelijk laat ingediend.
Het herzieningsverzoek is om deze reden kennelijk niet-ontvankelijk. Er kan zonder verder onderzoek worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid vanA. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) déclare l’opposition non-recevable.
Ce verdict a été fait par M.A.H. van Dalen-van Bekkum en presence de A. Giesen en qualité de greffier. La décision a été prononcée en public, le 15 mai 2026.
(signé) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(signé) A. Giesen