SAMENVATTING
23/2928 TONK
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 juli 2023, 22/1973 TONK-V
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 20 januari 2026
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Verzoeker heeft redenen aangevoerd waarom de Raad die uitspraak moet herzien. De Raad is van oordeel dat daarin geen feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten liggen. De Raad wijst het verzoek daarom af.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 juli 2023, 23/1973-V TONK (eerdere uitspraak).
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 november 2025. Verzoeker is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Met een brief van 21 november 2025 heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat die keuze is gebaseerd op de wijze waarop verzoeker zijn medewerkers en gemachtigden bejegent en schoffeert. Volgens het dagelijks bestuur schroomt verzoeker niet om die medewerkers en gemachtigden digitaal in hun privéleven te benaderen en/of een tuchtzaak te beginnen, wat het dagelijks bestuur belemmert in de uitoefening van het werk en het verkrijgen van procesondersteuning. De handelswijze van verzoeker wordt daarnaast door diverse medewerkers als onveilig ervaren.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met kenmerk 22/3981 BBZ, 24/1790 PW, 24/1791 PW, 24/1792 PW, 24/1793 PW, 24/1794 PW, 24/1795 PW en 24/2181 PW. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het standpunt van verzoeker
1. Voor de aanleiding en achtergrond van onderhavige procedure wordt verwezen naar de eerdere uitspraak, waarvan herziening wordt verzocht.
2. Met de eerdere uitspraak heeft de Raad het verzet ongegrond verklaard tegen zijn uitspraak van 15 november 2022, waarbij de Raad zich met toepassing van artikel 8:54 van de Awb onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak op verzet van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2022. Daartoe heeft de Raad – samengevat weergegeven – overwogen dat geen sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. De Raad heeft in dat verband vastgesteld dat verzoeker in de verzetszaak waartegen hij hoger beroep heeft ingesteld op zitting is gehoord. Dat verzoeker niet voor een tweede keer op zitting is gehoord nadat, na heropening, nieuwe informatie door het bestuursorgaan is ingebracht, maakt dat niet anders. De Raad heeft verder overwogen dat ook overigens geen grond bestaat voor doorbreking van het appelverbod.
3. Verzoeker heeft zich, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat de Raad in de eerdere uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat hij geen hoorrecht in de verzetprocedure zou hebben en dat dit geen schending van een fundamenteel rechtsbeginsel zou opleveren.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de eerdere uitspraak moet worden herzien aan de hand van de argumenten die verzoeker heeft aangevoerd, de gronden van herziening. De Raad komt tot het oordeel dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van de Raad belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Herziening kan alleen plaatsvinden als er feiten en omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, die verzoeker niet bekend waren en ook niet bekend konden zijn en – als ze voor de uitspraak wel bekend zouden zijn geweest – tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden.
In wat verzoeker naar voren heeft gebracht, zoals weergegeven in 3, liggen naar het oordeel van de Raad geen feiten of omstandigheden besloten als bedoeld in 4.1. Dat verzoeker in de verzetprocedure bij de rechtbank niet voor een tweede keer op een zitting is gehoord, was verzoeker vóór de eerdere uitspraak al bekend. Voor zover verzoeker tijdens de zitting heeft betoogd dat hij recht heeft op een effectief rechtsmiddel – in verband waarmee hij heeft gewezen op artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – kan dat ook niet tot herziening leiden. Dit is namelijk een juridisch standpunt en niet een feit of omstandigheid in vorenbedoelde zin.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de eerdere uitspraak in stand blijft.
6. Verzoeker krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en A.M. Overbeeke en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) M.S. van Veller
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:119, eerste lid
De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.