26/274 ONBEK
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
26/274 ONBEK
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Datum uitspraak: 15 mei 2026
PROCESVERLOOP
Appellant heeft een hoger beroepschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroepschrift wordt ondertekend en ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht bevat. In het tweede lid is bepaald dat bij het beroepschrift zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, wordt overgelegd. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
In zijn brief van 4 februari 2026 heeft appellant de Raad om hulp gevraagd bij het laten uitbetalen van twee cheques. Ook heeft appellant de Raad gevraagd om terugbetaling van het geld dat van hem is gestolen in Frankrijk.
Bij het ingediende beroepschrift is geen aangevallen uitspraak overgelegd. Het is niet duidelijk of het hoger beroepschrift is gericht tegen een uitspraak van een Nederlandse rechtbank, en zo ja, welke uitspraak van welke rechtbank dit betreft. Evenmin is duidelijk welk bestuursorgaan de andere (verwerende) partij is.
Bij brief van 16 februari 2026 is appellant erop gewezen dat de Raad alleen kan een oordeel kan vellen indien er beroep is ingesteld tegen een beslissing van een Nederlandse rechter en de Raad bevoegd is. Daarbij is appellant verzocht een kopie te zenden van de uitspraak waar hij het niet mee eens is, alsmede de gronden van het beroep.
Appellant heeft niet op deze brief gereageerd.
De Raad heeft niets meer van appellant vernomen en kan niet vaststellen tegen welke uitspraak het hoger beroep is gericht.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid vanA. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) déclare le recours interjeté non-recevable.
Par conséquent, décidée par le maître M.A.H. van Dalen-van Bekkum en présence de A.Giesen en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 15 mai 2026.
(signé) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(signé) A. Giesen
Les intéressés et les organes d'administration auront le droit à présenter une opposition écrite contre la présente décision, dans les six semaines suivantes à la notification de la copie, à la Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale), Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. L'intéressé présentant l'opposition pourra demander d'avoir l'opportunité d'être entendu sur son opposition.