SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/663 WAD
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 januari 2024, 23/6267 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Commandant Luchtstrijdkrachten (commandant)
Datum uitspraak: 13 mei 2026
De Raad komt tot het oordeel dat het verzoek van appellant om in aanmerking te komen voor bijzonder vlieggeld terecht is afgewezen. Appellant had voorafgaand aan de opleiding de bestemming tot MQ-9 Reaper-vlieger. Hij is nooit in opleiding geweest tot jachtvlieger. Van een ongelijke behandeling is niet gebleken.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. T.A. van Helvoort, advocaat, hoger beroep ingesteld. De commandant heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 april 2026. Namens appellant is verschenen mr. Van Helvoort. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.N. Bruin en E.H. Groothuis.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant was ten tijde van belang bij de Koninklijke Luchtmacht in opleiding tot MQ9 Reaper-vlieger. In februari 2023 heeft appellant verzocht om toekenning van bijzonder vlieggeld als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de IRM.
Dat verzoek is afgewezen, omdat appellant niet in opleiding is voor vliegtuigen met straalvoortstuwing of in opleiding is tot operationeel jachtvlieger. Die afwijzing is na bezwaar met een besluit van 23 augustus 2023 (bestreden besluit) gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet appellant niet aan de eisen die worden gesteld voor het recht op bijzonder vlieggeld. Hoewel de eerste fase van de opleiding van appellant hetzelfde is als die van andere vliegers is dat niet doorslaggevend bij het toekennen van het bijzonder vlieggeld. Van belang is de uiteindelijke bestemming van de vlieger. Verder is volgens de rechtbank geen sprake van gelijke gevallen op rechtens relevante aspecten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Op grond van artikel 12, vierde lid, van het IRM heeft de militair die anders dan als passagier een dienstvlucht maakt onder naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel bijzondere omstandigheden aanspraak op bijzonder vlieggeld. Uit artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van het IRM volgt dat onder bijzondere omstandigheden onder meer wordt verstaan dienstvluchten die in vliegtuigen met straalvoortstuwing worden verricht of waaraan wordt deelgenomen door militairen die – in opleiding voor de functie van operationeel jachtvlieger – nog geen aanspraak hebben op een vliegtoelage.
Gelijke gevallen
Appellant is van mening dat hij in gelijke omstandigheden verkeert als de aspirantvliegers die wel in aanmerking komen voor bijzonder vlieggeld. Appellant ziet zich daarin gesteund door de analyse van UB REPOS van 22 januari 2015 waarin voor het toekennen van bijzonder vlieggeld van belang werd geacht dat de aspirant-jachtvliegers, aspirant-luchttransportvliegers en de “onbestemden” dezelfde opleiding en syllabus volgden.
De Raad volgt het betoog van appellant niet. De groep van aspirant-vliegers kan globaal worden onderscheiden in aspirant-vliegers met of zonder bestemming (rol). Van bepaalde aspirantvliegers staat vóór het volgen van de opleiding hun bestemming tot luchttransport-, MQ9 Reaper of jachtvlieger al vast, omdat zij specifiek voor die bestemming hebben gekozen. Daarnaast is er de groep van aspirant-vliegers die nog niet op de hoogte zijn van hun bestemming. Zij volgen de opleiding aan de ENJJPT in Pensacola, waar de opleiding tot jachtvlieger plaatsvindt. Zij worden later in de opleiding aangewezen als jachtvlieger of als luchttransportvlieger. Deze aspirantvliegers hebben, naast de groep van aspirant-vliegers met de bestemming jachtvlieger, recht op bijzonder vlieggeld omdat in beginsel de gehele groep jachtvlieger kan worden. Niet is betwist dat appellant voorafgaand aan de opleiding heeft gekozen voor de bestemming MQ9 Reaper-vlieger. Hij is dus nooit in opleiding geweest om (mogelijk) jachtvlieger te worden. Daarmee is hij niet op een lijn te stellen met de aspirant-vliegers die wel in aanmerking komen voor bijzonder vlieggeld. Er is dan ook geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. De omstandigheid dat de eerste fase van de opleiding (primary flight training) voor alle aspirant-vliegers hetzelfde is, maakt dit niet anders. Ook de analyse van UB REPOS van 22 januari 2015, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze analyse dateert van voor de introductie van de opleiding tot MQ9 Reapervlieger en was achterhaald ten tijde van de bestreden besluitvorming.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) S. Ploum