SAMENVATTING
24/1058 WLZ
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2024, 23/5043 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)
Deze zaak gaat over de vraag of het CIZ de aanvraag van appellante om zorg op grond van de Wlz terecht heeft afgewezen. Net als de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Appellante wordt in staat geacht adequaat te alarmeren en hulp af te wachten zonder dat daarbij ernstig nadeel optreedt.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.W.E. Ros, advocaat, hoger beroep ingesteld. CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ros. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren in 1989, is sinds 2008 bekend met multiple sclerose (MS). Zij heeft op 7 september 2022 een aanvraag ingediend voor 24-uurs zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
Met een besluit van 17 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 juli 2023 (bestreden besluit), heeft het CIZ de aanvraag afgewezen. Het CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat bij appellante sprake is van de grondslagen somatische aandoening en lichamelijke handicap. Er is geen sprake van een noodzaak voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz. Appellante wordt in staat geacht adequaat te alarmeren en hulp af te wachten zonder dat daarbij ernstig nadeel optreedt. Het CIZ heeft zich hierbij gebaseerd op een medisch advies van 28 maart 2023.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het CIZ heeft zich mogen baseren op het medische advies van 28 maart 2023. De medisch adviseur heeft in zijn advies afdoende gemotiveerd dat er geen ernstige complicaties zijn opgetreden, geen sprake is van evident optreden van ernstig nadeel en dat appellante in staat wordt geacht te kunnen alarmeren. Daarmee heeft de medisch adviseur inzichtelijk gemotiveerd dat er geen noodzaak is voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Daarbij is ook voldoende rekening gehouden met psychische gesteldheid van appellante. De stelling van appellante dat sprake is van valgevaar is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een te verwachten risico dat haar ernstig nadeel zal overkomen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onderzoek van het CIZ niet zorgvuldig is geweest omdat in de besluitvorming onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat MS een progressieve ziekte is en dat haar situatie in de toekomst zal verslechteren. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij niet in staat is om te alarmeren. Zij valt regelmatig en kan op dat moment niet om hulp vragen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij nadere (medische) stukken overgelegd.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
De te beoordelen periode in deze zaak loopt van 7 september 2022 (datum aanvraag) tot en met 10 juli 2023 (datum bestreden besluit). Dit betekent dat de (medische) beoordeling zich beperkt tot situatie van appellante in die periode en dat verslechteringen die nu nog niet zijn opgetreden maar die er in de toekomst op enig moment wel zullen zijn niet in de beoordeling kunnen worden betrokken.
Ook in hoger beroep heeft appellante niet met medische stukken onderbouwd dat zij in de te beoordelen periode was aangewezen op 24 per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. De medisch adviseur van het CIZ heeft in een aanvullend medisch advies van 5 maart 2024 toegelicht dat de stukken die appellante heeft overgelegd zijn beperkt tot een beschrijving van lichamelijke klachten en algemene symptomen die variëren van oogproblemen tot gewrichtsklachten, vermoeidheid en koorts. Deze stukken bevatten geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante in de te beoordelen periode niet in staat was om op relevante momenten adequaat om hulp te vragen en deze af te wachten. Het CIZ heeft al eerder gewezen op de mogelijkheden van persoonsalarmering die gevoelig is afgesteld en om de nek of pols gedragen kan worden of stemalarmering via de mobiele telefoon waarvoor niet op een knop hoeft te worden gedrukt.
Tenslotte is het bestaan van valgevaar op zichzelf geen omstandigheid die leidt tot de conclusie dat appellante is aangewezen op 24 per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. Het moet immers gaan om een reëel risico op ernstig nadeel, dat gebaseerd is op onderbouwde verwachtingen. De enkele mogelijkheid dat een bepaald gevaar bestaat is op zichzelf nog niet genoeg. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat sprake was van een dergelijk (reëel) risico in de te beoordelen periode.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing voor de zorg op grond van de Wlz in het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) F.M. Gerritsen