24. 2069 PW-PV
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 juli 2024, 23/1155 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: R.R. Olde Engberink
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.H.A. Brauer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Garritsen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Met een besluit van 27 januari 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 april 2023 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 20 januari 2023 en met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW) ingetrokken op de grond dat hij niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsverplichting door niet te verschijnen op de gesprekken op 20 januari 2023 en 27 januari 2023.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De bijstandverlenende instantie is alleen bevoegd het recht op bijstand in te trekken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW als de betrokkene het bij het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld. Beoordeeld moet worden of dat het geval is. Als dat niet zo is, moet vervolgens worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. In dit geval is niet in geschil dat appellant niet is verschenen op een gesprek op 20 januari 2023 en ook, nadat hem daartoe opnieuw de gelegenheid was geboden, op 27 januari 2023 niet op een gesprek is verschenen. In geschil is alleen of hem van het niet verschijnen een verwijt kan worden gemaakt.
Appellant heeft aangevoerd dat hij mantelzorger was voor zijn ernstig zieke vader en zijn vader zoveel zorg nodig had dat hij hem niet alleen kon laten. Daarom kan hem niet worden verweten dat hij niet op de gesprekken is verschenen. Ter onderbouwing heeft appellant een door hem opgesteld overzicht overgelegd van de ingrepen en behandelingen die zijn vader heeft ondergaan. Dit betoog slaagt niet.
Niet in geschil is dat de vader van appellant ernstig ziek was. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband met de zorg voor zijn vader niet in staat was om op de gesprekken te verschijnen. Zo heeft de Raad met het door appellant verstrekte overzicht geen inzicht verkregen in de mate van verzorging die de vader nodig had. Ook had appellant het college tijdig om uitstel kunnen verzoeken of een derde kunnen vragen tijdelijk in de zorg voor zijn vader te voorzien.
Dit betekent dat appellant een verwijt kan worden gemaakt van het niet verschijnen op de gesprekken. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak slaagt daarom niet. Deze uitspraak zal daarom worden bevestigd.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) P.W. van Straalen