ECLI:NL:CRVB:2026:73

ECLI:NL:CRVB:2026:73

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 24/253 WIA-T
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering toe te kennen op de grond dat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 28 augustus 2018 in de zin van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. De Raad komt tot het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd dat de fysieke klachten van appellant uit dezelfde ziekteoorzaak niet zijn toegenomen, maar dat onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd dat de psychische klachten niet zijn toegenomen. De Raad geeft het Uwv de opdracht dit gebrek te herstellen.

Uitspraak

24/253 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 december 2023, 22/3147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat volgens het Uwv geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 28 augustus 2018 in de zin van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellant is sprake van toegenomen fysieke en psychische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. De Raad komt tot het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd dat de fysieke klachten van appellant uit dezelfde ziekteoorzaak niet zijn toegenomen, maar dat onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd dat de psychische klachten niet zijn toegenomen. De Raad geeft het Uwv de opdracht dit gebrek te herstellen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 september 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

Het onderzoek is ter zitting geschorst. Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als metaalbewerker/productiemedewerker voor 37,99 uur per week. Op 30 augustus 2016 heeft hij zich ziekgemeld met schouderklachten. Daarna zijn ook psychische klachten ontstaan. Bij besluit van 14 augustus 2018 heeft het Uwv na afloop van de voorgeschreven wachttijd geweigerd appellant met ingang van 28 augustus 2018 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Per einde wachttijd zijn vanwege de schouderklachten beperkingen aangenomen voor wat betreft het gebruik van de armen en de schouders en vanwege de psychische klachten beperkingen voor veelvuldige deadlines of productiepieken, emotionele problemen van anderen hanteren, het uiten van eigen gevoelens en het hanteren van conflicten. Deze beperkingen zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 juli 2018. Na bezwaar en beroep is het besluit van 14 augustus 2018 in rechte komen vast te staan.

Op 11 april 2019 heeft appellant zich ziekgemeld terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Bij besluit van 3 juli 2019 heeft het Uwv appellant geschikt geacht voor in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies en daarom geen ziekengeld toegekend. Het Uwv heeft het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft vervolgens geen beroep ingesteld.

Appellant heeft op 16 november 2021 bij het Uwv gemeld dat zijn gezondheidsklachten per 1 januari 2019 zijn toegenomen. Ter onderbouwing daarvan heeft hij medische informatie ingebracht. In een rapport van 20 april 2022 heeft een verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen redenen zijn om per 1 januari 2019 de belastbaarheid, zoals die in juni 2018 is vastgesteld, te wijzigen. Uit de medische informatie komen geen gegevens naar voren die zouden kunnen wijzen op een gewijzigde belastbaarheid per 1 januari 2019. Uit de informatie kan worden afgeleid dat sprake is van persisterende schouderklachten beiderzijds en de informatie bevestigt dat er terecht beperkingen voor de schouderbelastingen beiderzijds waren opgelegd. Verder is eind 2019 bij beeldvorming vastgelegd dat sprake was van degeneratieve afwijkingen van de cervicale wervelkolom, maar dit is geen medische reden om de belastbaarheid per 1 januari 2019 te wijzigen. Bij besluit van 20 april 2022 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 1 januari 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant uit dezelfde ziekteoorzaak niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 28 augustus 2018.

Bij besluit van 15 november 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2022 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat ook op grond van de meer recente medische informatie geen sprake is van toegenomen beperkingen ten gevolge van de eerdere ziekteoorzaken, te weten Acromioclaviculaire (AC)artrose/omartrose, een subacrominaal pijnsyndroom en status na schouderoperatie (Neerplastiek) en psychische klachten. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake van nieuwe aandoeningen, te weten een foraminale stenose cervicaal en Carpaal Tunnel Syndroom (CTS), waarvoor appellant niet is verzekerd. In rapporten van 5 maart 2023 en 16 juni 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog opgemerkt dat in beroep ingebrachte aanvullende medische informatie geen aanleiding geeft voor een ander oordeel. De depressieve stoornis eenmalige episode  ernstig en een somatische symptoomstoornis, die GZ-psycholoog M. de Wolf in de brief van 9 december 2022 als diagnoses heeft vermeld, betreffen volgens haar een geheel andere ziekteoorzaak.

Uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv terecht de medische toestand van appellant op 1 januari 2019 heeft beoordeeld. Per deze datum, de datum in geding, heeft appellant vermeld dat zijn gezondheidssituatie is gewijzigd. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft kunnen afzien van een spreekuurcontact, omdat voldoende medische informatie in het dossier aanwezig is en omdat sprake is van nieuwe, niet verzekerde problematiek. Een lichamelijk onderzoek naar de nieuwe klachten is dan niet vereist. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat appellant op 27 juni 2019 op spreekuur is geweest bij een verzekeringsarts in het kader van de ziekmelding van 11 april 2019. De verzekeringsarts is toen tot de conclusie gekomen dat de bij het onderzoek verkregen informatie niet leidt tot nieuwe inzichten over de aanwezige problematiek en heeft de eerder vastgestelde FML gehandhaafd.

De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van appellant op 1 januari 2019 op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt uit het rapport over de WIA-beoordeling bij einde wachttijd op 13 juli 2018 en de aanwezige informatie van de huisarts, de fysiotherapeut en de orthopedisch chirurg overduidelijk dat ten tijde van de wachttijd alle behandelingen gericht waren op de schouders en dat de fysieke beperkingen destijds werden bepaald op basis van de schouderproblematiek. Ten aanzien van de handen, ellebogen en nek- en knieklachten zijn geen afwijkingen geobjectiveerd, zodat hierbij geen aanvullende beperkingen te stellen zijn. Ook heeft de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen volgen in de conclusie dat foraminale stenose een nieuwe diagnose is waardoor sprake is van een andere ziekteoorzaak die niet verzekerd is. Dit geldt ook voor het tintelen van de handen. In het rapport van 16 juni 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat er bij appellant sprake is van een CTS, een somatische symptoomstoornis en een foraminale stenose cervicaal. Dit zijn aandoeningen die niets van doen hebben met de eerdere aandoening van de linkerschouder omartrose noch is er een samenhang tussen de foraminale stenose en de schouderproblematiek. Ook het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de psychische klachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak, heeft de rechtbank kunnen volgen. Ten tijde van de einde wachttijd was er sprake van spanningsklachten bij een arbeidsconflict. Dat er jaren daarna een depressieve stoornis eenmalige episode  ernstig, naast een somatische symptoomstoornis, is vastgesteld bij een intake op 14 november 2022, maakt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Dit betreft een andere ziekteoorzaak waarvoor appellant niet is verzekerd. Voldoende gemotiveerd is dat de informatie uit de behandelend sector die appellant in beroep heeft ingestuurd geen aanleiding geeft om de FML aan te passen.

Standpunt van appellant

Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de datum in geding ten onrechte heeft vastgesteld op 1 januari 2019. Het Uwv had niet alleen moeten kijken naar de datum van 1 januari 2019, maar had ook de periode tot aan de melding van de toegenomen arbeidsongeschiktheid bij de beoordeling moeten betrekken.

Verder heeft appellant gesteld dat in ieder geval sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid op 20 november 2019 omdat toen bij röntgenonderzoek de foraminale stenose C7 links en in mindere mate C6 is vastgesteld. Appellant betwist niet dat omartrose en foraminale stenose andere ziekteoorzaken zijn, maar stelt dat de klachten, die passend zijn bij een foraminale stenose, al vanaf de ziekmelding aanwezig waren. Dat voor die klachten pas later een diagnose is gesteld, staat er niet aan in de weg dat het om verzekerde klachten gaat. Niet kan worden uitgesloten dat de sinds de ziekmelding bestaande pijnklachten van appellant aan de armen en handen en nek, naast de artrose in de schouder, kunnen worden toegeschreven aan de later vastgestelde foraminale stenose.

Verder heeft appellant het standpunt van het Uwv dat de toegenomen psychische klachten voortkomen uit een andere ziekteoorzaak bestreden. Niet van belang is welk feitencomplex aan de ziekte ten grondslag ligt maar van belang is of er tijdens de verzekerde periode sprake was van psychische klachten en of deze psychische klachten vervolgens zijn toegenomen. De diagnose depressie is mogelijk nieuw, maar dit komt omdat de psychische klachten in ernst zijn toegenomen.

Tot slot is aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is verricht omdat appellant noch door een primaire verzekeringsarts noch door een verzekeringsarts bezwaar en beroep is gezien of onderzocht.

Het standpunt van het Uwv

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Allereerst wordt overwogen dat de rechtbank ten onrechte de beoordeling van de door appellant geclaimde toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft toegespitst op de datum van 1 januari 2019. Volgens vaste rechtspraak van de Raad strekt het beoordelingstijdvak in een situatie als in deze zaak zich in ieder geval uit over de periode van de gestelde toename van de beperkingen tot de datum waarop een verzekerde zich tot het Uwv heeft gewend. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2022 blijkt bovendien dat het Uwv de beoordeling niet slechts heeft beperkt tot 1 januari 2019 maar ook de periode tot 6 november 2022 heeft betrokken bij de beoordeling. Uit dit rapport blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook de op dat moment nieuwe en recente medische informatie heeft betrokken bij haar beoordeling. Ook uit het bestreden besluit blijkt dat het Uwv op grond van alle op het moment van het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikbare medische informatie heeft geconcludeerd dat appellant op en na januari 2019 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. Er moet dus eerst een vergelijking worden gemaakt van de medische beperkingen in de periode vanaf 1 januari 2019 tot 6 november 2022 ten opzichte van de medische beperkingen voorafgaand aan de weigering van de WIA-uitkering per 28 augustus 2018. Als sprake is van toegenomen beperkingen, komt de vraag aan de orde of deze voortvloeien uit een andere oorzaak.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient vervolgens te worden beoordeeld of buiten twijfel staat dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 55 van de Wet WIA niet van toepassing zijn. Daarbij rust de bewijslast in beginsel op degene die stelt dat er geen causaal verband is. Het gaat er dan dus om of het Uwv erin geslaagd is aan te tonen dat de toegenomen beperkingen niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak.

Fysieke klachten

Voor de beoordeling of er toegenomen beperkingen zijn, wordt uitgegaan van de FML van 16 juli 2018, die ten grondslag ligt aan de weigering van de WIA-uitkering per 28 augustus 2018. Uit het rapport van 13 juli 2018 blijkt dat een arts van het Uwv appellant uitgebreid lichamelijk heeft onderzocht, waarbij aan de nek en rug geen afwijkingen zijn gevonden. Gelet op informatie van de orthopedisch chirurg en de onderzoeksbevindingen is sprake van schouderproblematiek beiderzijds, waarvoor lichte beperkingen zijn aangenomen. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de door appellant ingebrachte medische informatie over de schouderproblematiek en de daarmee samenhangende klachten de vastgestelde belastbaarheid zoals neergelegd in de FML van 16 juli 2018 onderbouwen en dat van een toename van deze beperkingen niet is gebleken. Dit standpunt heeft appellant niet gemotiveerd betwist.

Het standpunt van appellant dat de nekklachten en de daaruit voortvloeiende arm- en handklachten voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak, omdat volgens hem reeds bij de eindewachttijdbeoordeling al sprake was van nekklachten waarvan de oorzaak eerst later is gediagnosticeerd, wordt niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in haar rapporten uitgebreid ingegaan op deze grond en heeft overtuigend gemotiveerd dat ten tijde van de eindewachttijdbeoordeling gelet op de onderzoeksbevindingen en alle medische informatie enkel schouderproblematiek beiderzijds aan de orde was, waarvoor beperkingen zijn vastgesteld. Uit de medische informatie volgt dat pas eind 2019 nekklachten worden gemeld, die voortvloeien uit de foraminale stenose cervicaal. Appellant heeft dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet met nadere medische informatie gemotiveerd betwist. Gelet hierop kan de rechtbank worden gevolgd in haar oordeel dat een nader fysiek onderzoek niet nodig was. Dit betekent dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de geclaimde toegenomen fysieke klachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak waarvoor appellant eerder de wachttijd heeft volbracht, wordt gevolgd.

Psychische klachten

De grond van appellant dat niet buiten twijfel staat dat de door appellant geclaimde toename van psychische klachten voortkomen uit een andere oorzaak dan die op grond waarvan appellant eerder een WGA-uitkering ontving, slaagt.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft – na vragen van de Raad daarover – in het rapport van 11 oktober 2024 opgemerkt dat bij einde wachttijd sprake was van spanningsklachten bij een arbeidsconflict en dat dat een andere diagnose betreft dan de depressieve stoornis of somatische symptoomstoornis, die eind 2022 door de GZ-psycholoog bij appellant is vastgesteld. Dit standpunt is onvoldoende inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd.

Ten eerste hebben de verzekeringsartsen van het Uwv niet kenbaar beoordeeld of sprake is van toegenomen psychische beperkingen in de te beoordelen periode. Deze vraag gaat, zoals overwogen in 4.2 van deze uitspraak, vooraf aan de vraag of de geclaimde toegenomen psychische klachten voortkomen uit dezelfde oorzaak. Van belang hierbij is dat appellant noch bij de primaire verzekeringsarts noch bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep op spreekuur is geweest, zodat het onderzoek naar de geclaimde toegenomen psychische beperkingen niet zorgvuldig is geweest. Voor een fysiek onderzoek naar de vraag of de psychische klachten van appellant waren toegenomen, bestond, gelet op de door appellant ingebrachte medische informatie van onder meer de huisarts en de brief van Revalis van 9 juni 2021, aanleiding. Het Uwv had dan ook als eerste moeten onderzoeken of in de te beoordelen periode sprake was van een toename van psychische beperkingen.

Verder wordt het volgende overwogen. In het rapport van 13 juli 2018, dat aan de weigering van de WIA-uitkering per 28 augustus 2018 ten grondslag ligt, heeft een arts van het Uwv vermeld dat appellant psychische klachten heeft als gevolg van het arbeidsconflict, maar ook als gevolg van zijn lichamelijke klachten. Appellant heeft verklaard dat hij door de beperkingen die hij ervaart ten gevolge van zijn lichamelijke klachten psychische klachten heeft ontwikkeld. Vermeld is dat appellant somber is omdat hij veel niet meer kan, en dat er veel boosheid speelt, met name naar de werkgever toe en dat hij is verwezen naar een psycholoog. Uit de stukken blijkt verder dat appellant in 2019 een acceptance en commitment therapie heeft gehad bij een psycholoog. In de brief van de GZ-psycholoog van 9 december 2022, die de diagnoses depressieve stoornis, eenmalige episode – ernstig, en een somatisch symptoomstoornis heeft gesteld, is vermeld dat appellant zich bij haar heeft gemeld met depressieve klachten, zoals somberheid, depressie en ongehoord gevoel en dat deze klachten al sinds een aantal jaren aanwezig zijn en sinds een half jaar zijn toegenomen. Verder bevindt zich in het dossier een brief van GZ-psycholoog L. Vosselman van 30 juli 2019, waarin de diagnose depressieve stoornis, eenmalige episode – matig, in reactie op lichamelijke klachten en werksituatie wordt vermeld. Gelet op de hiervoor genoemde stukken is het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat sprake is van een andere ziekteoorzaak niet overtuigend gemotiveerd. Met appellant wordt dan ook geoordeeld dat het Uwv onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat buiten twijfel is dat de door appellant gestelde toename van psychische klachten voortkomt uit een andere oorzaak dan de psychische klachten, die appellant in 2018 had.

Verder zou uit het rapport van 11 oktober 2024 kunnen worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de situatie op 1 januari 2019, in het rapport genoemd als datum in geding, heeft vergeleken met de situatie, zoals omschreven in de brief van de psycholoog van 9 december 2022 en de brief van Revalis van 9 juni 2021. Dat lijkt echter niet te stroken met de door het Uwv verrichte beoordeling in bezwaar, zoals vermeld onder overweging 4.4. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2022 en het kader zoals opgenomen onder 4.2 en 4.3 dient de situatie van appellant per 28 augustus 2018 te worden vergeleken met de periode vanaf 1 januari 2019 tot het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2022.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op wat hiervoor is overwogen, berust het bestreden besluit op een gebrekkige motivering, zodat het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen. Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen om het geconstateerde gebrek te herstellen. Het Uwv zal, met inachtneming van wat in deze tussenuitspraak is overwogen, een nader fysiek onderzoek door een verzekeringsarts moeten verrichten naar de vraag of sprake is van een toename van de psychische klachten in de te beoordelen periode en zo ja, moeten beoordelen en deugdelijk motiveren of sprake is van een andere ziekteoorzaak dan wel van dezelfde ziekteoorzaak. Mocht dit leiden tot een gewijzigde medische beoordeling, dan dient het Uwv nog een nader arbeidsdeskundige beoordeling te verrichten en bezien welke gevolgen dat heeft voor de aanspraken van appellant op een WIA-uitkering.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

De griffie is verhinderd te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?