SAMENVATTING
24/902 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2024, 23/6360 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
In deze zaak oordeelt de Raad dat het niet vergoeden van de kosten die in bezwaar zijn gemaakt geen procesbelang oplevert.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen op 25 maart 2026 een regiebrief gestuurd waarin partijen zijn geïnformeerd over wat onder meer op de zitting aan de orde zal worden gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 april 2026. Appellante en haar gemachtigde zijn, ondanks oproeping, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Met een besluit van 31 mei 2023 heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van uittreksels afgewezen.
Met een besluit van 12 september 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van 31 mei 2023, onder wijziging van de motivering, gehandhaafd. Het college heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van noodzakelijke kosten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat uitsluitend nog in geschil is of het college aan appellante de door haar in de bezwaarfase gemaakte kosten had moeten vergoeden. De rechtbank overweegt dat het bezwaar in dit geval heeft geleid tot een wijziging van de motivering maar niet tot een herroeping van het primaire besluit. De beslissing om de aanvraag om bijzondere bijstand af te wijzen is immers bij het bestreden besluit gehandhaafd. Omdat geen sprake is van een herroeping van het primaire besluit, welke herroeping een absolute voorwaarde is voor vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten, heeft appellante geen recht op vergoeding van die kosten. Het college heeft het hiertoe strekkende verzoek van appellante dan ook terecht afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij recht heeft op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand, omdat het bestreden besluit op een totaal andere motivering berust dan het primaire besluit en het bezwaar dus gegrond had moeten worden verklaard. Het college heeft in het primaire besluit onmogelijke standpunten ingenomen. Daarmee heeft het college appellante gedwongen juridische actie te ondernemen. Het kan niet zo zijn dat deze houding van het college geen gevolgen heeft. De rechtbank had het verzoek van appellante voorts kunnen uitleggen als een verzoek om schadevergoeding, en op die wijze kunnen trachten haar te helpen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellante met het instellen van het hoger beroep voldoende procesbelang heeft in deze zaak.
Volgens vaste rechtspraak is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een (hoger) beroep inhoudelijk te beoordelen indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig zijn in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
Een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit is niet aan de orde. Appellante wil met deze procedure uitsluitend bereiken dat het college wordt veroordeeld in de vergoeding van de kosten van bezwaar. Op voorhand is onaannemelijk dat schade is geleden.
Voor zover appellante heeft verzocht om de kosten van bezwaar als schadevergoeding toe te kennen, wordt vooropgesteld dat uit de strekking van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden afgeleid dat de in dit artikel opgenomen regeling een exclusief kader vormt voor vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar. Dit betekent dat er in beginsel geen andere weg is om deze specifieke kosten vergoed te krijgen en dat voor die kosten geen beroep kan worden gedaan op andere schadevergoedingsregelingen. Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld, levert het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang op, tenzij het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is.
In dit geval is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in 4.3 geen sprake. Het college heeft zijn besluit van 31 mei 2023 niet herroepen. Dat betekent dat in deze zaak geen procesbelang aanwezig is bij het niet vergoeden van de bezwaarkosten.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
Appellante krijgt geen vergoeding van haar proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
(getekend) C. Karman
(getekend) M.G.J. van Eck
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:15, tweede lid
De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.