ECLI:NL:CRVB:2026:743

ECLI:NL:CRVB:2026:743

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer 24/1824 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Schadevergoeding terecht vastgesteld op € 1.000,-. Niet in geschil is dat de primaire besluiten van 19 september 2022 en de bestreden besluiten 1 en 2 onrechtmatig zijn. Het Uwv heeft ook erkend dat aannemelijk is dat zijn handelen heeft geleid tot een verslechtering van de medische situatie van appellante. Om deze reden heeft het Uwv zich bereid verklaard om een vergoeding voor immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- te betalen. De rechtbank heeft de hoogte van de schadevergoeding begroot op dit bedrag. De Raad acht de toegekende vergoeding van € 1.000,- billijk en ziet geen aanleiding voor toekenning van een hogere vergoeding voor immateriële schade.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

24/1824 ZW, 24/1875 ZW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 juli 2024, 23/2303, 23/4280 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 juni 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank terecht aan appellante een schadevergoeding van € 1.000,- heeft toegekend. Appellante is van mening dat een schadevergoeding van € 5.000,- had moeten worden toegekend. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat de rechtbank de schadevergoeding terecht heeft vastgesteld op € 1.000,-.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.A. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Voor appellante is mr. Fischer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft vanaf 1 oktober 2021 een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 28 februari 2022 heeft zij zich ziekgemeld. Het Uwv heeft, na afloop van de WW-uitkering, met ingang van 1 april 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aan appellante toegekend. Zowel de WW- als de ZW-uitkering werd aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet.

Het Uwv heeft op 22 december 2021 een melding ontvangen van de gemeente Haarlem dat appellante werkzaamheden zou verrichten voor haar voormalige werkgever. Hierop heeft het Uwv onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan haar betaalde uitkeringen en toeslag. In het kader van dit onderzoek zijn onder andere waarnemingen verricht en heeft op 20 april 2022 een gesprek met appellante plaatsgevonden. Het Uwv heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om bij besluit van 19 september 2022 de aan appellante toegekende WW-uitkering, ZW-uitkering en toeslag over de periode van 10 november 2021 tot en met 31 juli 2022 in te trekken. De over deze periode betaalde uitkering en toeslag, tot een bedrag van € 5.860,23 bruto, heeft het Uwv van appellante teruggevorderd. Met een tweede besluit van 19 september 2022 heeft het Uwv een boete aan appellante opgelegd van € 1.647,04 omdat zij de inlichtingenplicht heeft overtreden.

Met beslissingen op bezwaar van 22 februari 2023 (bestreden besluit 1) en 24 februari 2023 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 19 september 2022 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1 en 2. Gedurende de beroepsprocedure heeft het Uwv op 3 augustus 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit zijn de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 19 september 2022 alsnog gegrond verklaard. De intrekking, terugvordering en boete worden niet langer gehandhaafd. Appellante heeft vervolgens verzocht om vergoeding van door haar geleden schade tot een bedrag van € 5.000,-. Het Uwv heeft te kennen gegeven bereid te zijn tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade ter hoogte van € 1.000,-.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 en 2 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-. Daarnaast heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het door appellante betaalde griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 augustus 2023 vast is komen te staan dat de primaire besluiten van 19 september 2022 en de bestreden besluiten 1 en 2 onrechtmatig zijn. Het Uwv heeft zijn aansprakelijkheid erkend voor wat betreft de verzochte immateriële schadevergoeding. Uit de stukken van de huisarts, de verpleegkundig specialist en de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat in het voorjaar van 2022 er een toename was van medische klachten, veroorzaakt – naar de rechtbank begrijpt – door stress. Gelet op de onderbouwing staat de schadepost daarmee genoegzaam vast en daarom heeft appellante aanspraak op vergoeding. De rechtbank heeft de immateriële schade, gelet op de aard en achtergrond daarvan en wat daarvoor gebruikelijk is, begroot op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van materiële schade, bestaande uit inkomensverlies afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gestelde schade in zodanig verband staat met de onrechtmatige besluiten, dan wel onrechtmatige handelingen ter voorbereiding daarvan, dat deze als een gevolg van die besluiten aan het Uwv kan worden toegerekend. Verder geldt als uitgangspunt dat appellante zoveel mogelijk moet worden gebracht in de financiële toestand waarin zij zou hebben verkeerd in de situatie zonder de intrekking, terugvordering en boete. Naar het oordeel van de rechtbank is daaraan voldaan, doordat met terugwerkende kracht de uitkering en toeslag is uitbetaald. Voor zover wordt betoogd dat appellante meer of anders schade heeft geleden die valt buiten de met terugwerkende kracht verstrekte uitkering en toeslag is die schade naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het niet eens met de hoogte van de door de rechtbank toegekende schadevergoeding. Zij heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat een vergoeding van € 5.000,- had moeten worden toegekend. Zowel de besluitvorming van het Uwv als het daaraan voorafgaande onderzoek, waaronder met name het gesprek op 20 april 2022, hebben een grote impact op haar gehad en gezorgd voor een terugval met betrekking tot de psychische problematiek. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op de brief van een verpleegkundig specialist van 12 oktober 2023 die zij in beroep heeft ingediend. In deze brief staat dat sprake is geweest van een toename van klachten in het voorjaar van 2022 toen het Uwv appellante verdacht van fraude. In deze periode heeft appellante een hogere dosering medicatie geslikt en waren er meer behandelcontacten. Ook heeft appellante gedurende een periode van negen maanden om de week extra begeleiding gekregen van een ambulant verpleegkundige, dit allemaal ter preventie van het ontwikkelen van manie/psychose en/of depressie. Volgens appellante kan uit deze brief worden afgeleid dat door het handelen van het Uwv haar herstel en daarmee ook haar re-integratie is belemmerd. Appellante stelt zich op het standpunt dat aannemelijk is dat als het onderzoek en de besluitvorming van het Uwv er niet waren geweest, zij minimaal vier maanden – en mogelijk zelfs tot negen maanden – eerder had kunnen uitstromen naar betaald werk en daarmee een inkomen had kunnen verkrijgen dat ongeveer € 1.000,- per maand hoger ligt dan het bedrag dat zij aan uitkering heeft ontvangen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op het verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van (onder andere) een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.

Als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, mag de rechter de hoogte van de schade schatten (artikel 6:97 van het BW).

Niet in geschil is dat de primaire besluiten van 19 september 2022 en de bestreden besluiten 1 en 2 onrechtmatig zijn. Het Uwv heeft ook erkend dat aannemelijk is dat zijn handelen heeft geleid tot een verslechtering van de medische situatie van appellante. Om deze reden heeft het Uwv zich bereid verklaard om een vergoeding voor immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- te betalen. De rechtbank heeft de hoogte van de schadevergoeding begroot op dit bedrag. De Raad acht de toegekende vergoeding van € 1.000,- billijk en ziet geen aanleiding voor toekenning van een hogere vergoeding voor immateriële schade. Voor zover appellante heeft betoogd dat ook een vergoeding had moeten worden toegekend voor materiële schade, bestaande uit inkomstenverlies, heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gestelde schade in zodanig verband staat met de onrechtmatige besluiten, dan wel het door appellante gestelde onrechtmatig handelen ter voorbereiding daarvan, dat deze aan het Uwv kan worden toegerekend.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de toekenning van een schadevergoeding ter hoogte van € 1.000,- in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en J.H. Ermers en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

(getekend) T. Dompeling

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 8:88, eerste lid, van de Awb:

De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;

c. het niet tijdig nemen van een besluit;

d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand