25/1571 WMO15-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 15 januari 2026
SAMENVATTING
Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk, omdat niet is voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2025 (25/1289 en 25/1290). Verzoeker heeft een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening en nadere stukken ingediend.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 29 september 2025, gelijktijdig met procedurenummer 25/858. Verzoeker is verschenen. Het college heeft via videobellen aan de zitting deelgenomen en zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Smith en I. Zeper.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting van 29 september 2025 heeft appellant een verzoek ingediend om wraking van de behandelend rechter en vervolgens een verzoek om wraking van de rechters die dit verzoek zouden beoordelen. Beide verzoeken zijn afgewezen.
Vandaag wordt in de zaak 25/858 afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Met een besluit van 16 oktober 2024 heeft het college aan verzoeker een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) verstrekt over de periode van 8 september 2024 tot en met 7 september 2025 in de vorm van zorg in natura. Verzoeker verbleef in een kamer van zorgaanbieder [naam zorgaanbieder 1].
Verzoeker heeft op 14 maart 2025 een ingebrekestelling aan het college gestuurd, omdat het college geen rechtsgeldig besluit heeft afgegeven over de voortzetting of beëindiging van zijn Wmo-indicatie terwijl [naam zorgaanbieder 1] heeft aangegeven appellant op 7 september 2024 (lees 2025) uit zijn huidige woning te willen zetten. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het uitblijven van een formeel besluit van het college en de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Met een uitspraak van 18 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag op grond van de Wmo 2015 (en het bijbehorende verzoek om een voorlopige voorziening) niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het college met een besluit van 16 oktober 2024 heeft beslist op de aanvraag van verzoeker en een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen aan verzoeker heeft verstrekt voor de periode van 8 september 2024 tot en met 7 september 2025. Er zijn verder geen aanvragen van verzoeker waarop door het college nog geen beslissing is genomen. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.
Vanaf 18 april 2025 is aan verzoeker de toegang tot zijn kamer bij [naam zorgaanbieder 1] ontzegd. Met het besluit van 8 mei 2025 heeft het college het besluit van 16 oktober 2024 herzien en bepaald dat verzoeker per 16 mei 2025 geen recht meer heeft op een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen, omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet die bij het beschermd wonen horen.
2. Verzoeker heeft op 25 juli 2025 (voor de vierde maal) een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
3. Het college heeft aan verzoeker opnieuw een maatwerkvoorziening beschermd wonen verstrekt. Sinds 31 juli 2025 verblijft verzoeker bij zorgaanbieder [naam zorgaanbieder 2].
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Uit de functie van artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit).
Het verzoek van verzoeker strekt ertoe dat het college zich onthoudt van verdere verspreiding van, of verwijzing naar, een zorgbeëindigingsverslag dat ten grondslag heeft gelegen aan de beëindiging van zijn verblijf bij [naam zorgaanbieder 1], waarvan de inhoud door verzoeker wordt betwist. Volgens verzoeker is er sprake van een voortdurende reputatieschade door verspreiding van onjuiste kwalificaties, het ontbreken van een feitelijke stabiliteit in de woon/zorgsituatie en risico op verdere benadeling. Hij wil bovendien dat het college opgedragen wordt het zorgbeëindigingsverslag te rectificeren.
De gevorderde voorlopige voorziening heeft geen betrekking op het in de bodemprocedure voorliggende geschil, waarin het gaat om de vraag of de rechtbank op goede gronden een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat volgens de rechtbank geen sprake is van een aanvraag waarop het college nog niet heeft beslist. Het verzoek van verzoeker heeft betrekking op een document dat ten grondslag ligt aan het besluit van 8 mei 2025, welk document overigens niet door het college is opgesteld.
Conclusie en gevolgen
Het voorgaande betekent dat niet is voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste zodat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om voorlopige voorziening nietontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol