ECLI:NL:CRVB:2026:79

ECLI:NL:CRVB:2026:79

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 24/2573 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Beëindiging ZW-uitkering. Minder dan 65% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Geen grond voor het oordeel dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2024, 23/7768 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 januari 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 12 februari 2023 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om passende functies te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Voor appellante is mr. de Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als technisch medewerker voor 40 uur per week. Vervolgens heeft zij een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet. Op 7 september 2021 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 januari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 11 januari 2023 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 12 februari 2023 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

Bij besluit van 3 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd, geeft daarnaast geen reden het medisch oordeel voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat er op basis van de medische informatie, waaronder de brieven van de psychiater en van de huisarts, geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat appellante na 15 januari 2023 niet meer bij de huisarts is geweest en dat de laatste behandeling van de psychiater op 1 september 2022 heeft plaatsgevonden. Verder is rekening gehouden met het feit dat appellante volgens het dagverhaal een dagvulling/activiteiten en inmiddels een baan heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts vastgelegde beperkingen in de FML. In het aanvullend rapport in beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom hij ook in beroep geen aanleiding ziet het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Het fietsongeval heeft in september 2022 plaatsgevonden, maar op grond van de onderzoeksbevindingen is er geen aanleiding om lichamelijke beperkingen als gevolg van dat ongeval aan te nemen. Over de psychische klachten heeft hij overwogen dat appellante op de datum in geding geen antidepressiva gebruikte en dat er in de FML een breed scala aan psychische beperkingen is aangenomen. De rechtbank heeft daarmee geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante heeft in beroep ook geen nieuwe medische informatie ingebracht waaruit naar voren zou kunnen komen dat zij meer beperkingen heeft dan in de FML zijn vastgelegd. Voorts is geen grond voor het oordeel dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op inzichtelijke wijze uiteengezet waarom de geselecteerde functies, ook ten aanzien van het aspect ‘hoog handelingstempo’, geschikt zijn voor appellante. Dit betekent dat het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante op 12 februari 2023 heeft beëindigd, omdat zij per die datum minder dan 65% arbeidsongeschikt is.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Bij een juiste weging van het gegeven dat appellante, naar zij stelt, in september 2022 op de wachtlijst is geplaatst voor vervolgbehandeling voor haar psychische klachten en dat appellante volgens de huisarts op 15 januari 2023 forse depressieve klachten had, zou niet zijn geconcludeerd dat appellante in staat was om arbeid te verrichten. De beperkingen van appellante zijn onderschat. Niet blijkt dat de gevolgen van het fietsongeluk in september 2022 zijn meegewogen in de beoordeling. De rechtbank heeft daarom ten onrechte het Uwv gevolgd in het standpunt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

Appellante heeft zich in hoger beroep grotendeels beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. In hoger beroep is door appellante geen nieuwe medische informatie genoemd of overgelegd. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. De Raad voegt daaraan het volgende toe.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante is zowel in de primaire fase als in bezwaar lichamelijk onderzocht. Daarnaast hebben beide verzekeringsartsen het dossier bestudeerd en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie opgevraagd bij de huisarts en psychiater van appellante en die informatie vervolgens betrokken bij de beoordeling. Dat appellante het niet eens is met de hieruit getrokken conclusie van het Uwv over haar belastbaarheid, betekent niet dat sprake is geweest van een onjuiste weging van de door appellante aangehaalde gegevens.

Anders dan appellante heeft gesteld, zijn de gevolgen van het fietsongeluk in september 2022 en de gerapporteerde depressieve klachten op 15 januari 2023 wel bij de beoordeling betrokken. Hoewel deze informatie dateert van na het spreekuur bij de primaire verzekeringsarts op 6 september 2022 en deze arts er dus geen rekening mee heeft kunnen houden, beschikte de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel over het volledige dossier. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis hiervan inzichtelijk gemotiveerd dat, gelet op de ontvangen medische informatie van de huisarts en psychiater, geen aanleiding bestaat om meer beperkingen aan te nemen. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat appellante naar eigen zeggen op 15 januari 2023 forse depressieve klachten had, maar daarna niet meer in de praktijk is geweest. Niet blijkt dat sprake was van een zodanig ernstige psychische decompensatie dat behandeling geïntensiveerd moest worden. Appellante gebruikte daarnaast op de datum in geding geen antidepressiva. Bovendien is in de brief van de psychiater vermeld dat sprake was van een depressieve stoornis, matig van ernst, eenmalig en dat appellante de laatste behandeling op 1 september 2022 heeft gehad. Uit het primaire onderzoek volgt verder dat appellante een daginvulling/activiteiten had en sinds april 2023 een baan heeft voor 28 uur per week. Over het fietsongeluk in september 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullend rapport in beroep tot slot overwogen dat ook dit niet leidt tot het aannemen van aanvullende beperkingen. Appellante heeft haar stelling dat zij als gevolg van dit ongeluk een hersenschudding en schouderklachten heeft, niet onderbouwd. Daarnaast zijn bij het lichamelijk onderzoek in bezwaar geen afwijkingen gevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) J.A. Adjei-Asamoah

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?