ECLI:NL:CRVB:2026:790

ECLI:NL:CRVB:2026:790

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 17-06-2026
Datum publicatie 17-06-2026
Zaaknummer 25/1128 WLZ
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Afwijzing aanvraag om pgb voor een tijdelijk verblijf in het buitenland op grond van de Wlz. Het zorgkantoor heeft de aanvraag terecht geweigerd, omdat appellante in het verleden de aan een pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1128 WLZ

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2025, 24/3576 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

Datum uitspraak: 17 juni 2026

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om pgb op grond van de Wlz voor een tijdelijk verblijf in het buitenland. Het zorgkantoor heeft de aanvraag terecht geweigerd, omdat appellante in het verleden de aan een pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.I. L'Ghdas, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 juni 2026. Voor appellante is mr. L’Ghdas verschenen, alsmede de moeder van appellante, [naam moeder] . Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.B. Olaniyi.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante, geboren in 1990, is geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Voor de realisering van deze zorg heeft appellante recht op zorg in natura.

Eerder, in 2018 en 2019, was aan appellante voor de realisering van deze zorg een persoonsgebonden budget (pgb) verleend, waarbij haar moeder was aangewezen als gewaarborgde hulp. Deze verleningsbesluiten zijn ingetrokken, omdat appellante zich niet heeft gehouden aan de aan de pgb’s verbonden verplichtingen. Met een uitspraak van de Raad van 11 juli 2023 zijn deze intrekkingen in rechte vast komen te staan. De Raad heeft hierbij overwogen dat appellante bij de Sociale verzekeringsbank als rekeningnummer van haar zorgverlener haar eigen rekeningnummer heeft opgegeven en dat dit wordt gebruikt voor het ontvangen van het pgb en het betalen van zorgverleners. Hiermee heeft zij volgens de Raad in strijd met het trekkingsrecht gehandeld en artikel 5.18, aanhef en onder e, van de Regeling langdurige zorg geschonden.

Op 23 mei 2023 heeft appellante een aanvraag gedaan voor een tijdelijk pgb, omdat zij tijdens haar vakantie in het buitenland gedurende één tot drie maanden zorg wil inkopen bij onder meer haar moeder. Appellante heeft daarbij haar moeder (wederom) opgegeven als gewaarborgde hulp.

Met een besluit van 6 september 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 13 mei 2024 (bestreden besluit), heeft het zorgkantoor de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat:

1) appellante zich in het verleden niet heeft gehouden aan de aan een pgb verbonden verplichtingen;

2) de beoogde gewaarborgde hulp (de moeder van appellante) niet voldoet aan de verplichtingen die gelden voor een gewaarborgde hulp;

3) de moeder van appellante bij een eerder verleend pgb heeft opgetreden als vertegenwoordiger van appellante en de daaraan verbonden verplichtingen niet is nagekomen; en

4) appellante niet de opgevraagde documenten heeft aangeleverd om de aanvraag zorgvuldig te kunnen beoordelen.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het pgb terecht is geweigerd op de grond dat appellante zich eerder niet aan de verplichtingen verbonden aan een pgb heeft gehouden. De overige weigeringsgronden heeft de rechtbank daarom onbesproken gelaten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz wordt het pgb in ieder geval geweigerd als de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen.

Tussen partijen is niet in geschil dat in 2018 en 2019 de aan het pgb verbonden verplichtingen niet zijn nagekomen. Dat betekent dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz.

Artikel 3.3.3, vijfde, lid van de Wlz is een dwingendrechtelijke bepaling vastgelegd in een wet in formele zin. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever kan de rechter een dergelijke bepaling buiten toepassing laten. Hiervoor is wel vereist dat de door belanghebbende gestelde bijzondere omstandigheden meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel (of andere algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht) dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze beoordeling leidt in dit geval tot het volgende.

Het doel van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz is het voorkomen van fraude en oneigenlijk gebruik van zorggelden. De wetgever heeft geen uitzondering op deze bepaling gemaakt voor periodes dat een verzekerde tijdelijk in het buitenland verblijft. Dat de wetgever dit niet heeft gedaan, omdat, zoals door appellante is betoogd, een dergelijke situatie niet door de wetgever is voorzien, ligt niet voor de hand. Ook in dergelijke gevallen kan immers fraude plaatsvinden of kunnen zorggelden op oneigenlijke wijze worden gebruikt. Daarnaast heeft de wetgever uitdrukkelijk voorzien in een regeling voor Wlz-geïndiceerden die (tijdelijk) in het buitenland verblijven en daarmee met een dergelijke situatie juist wel rekening gehouden. Appellante heeft niet aangevoerd of onderbouwd dat zij van deze wettelijk voorziene mogelijkheden geen gebruik zou kunnen maken. Verder is gebleken dat zij in eerdere periodes waarin zij in het buitenland verbleef feitelijk wel zorg ontving. De Raad laat dan nog daar dat het zorgkantoor te kennen heeft gegeven aan appellante wel een pgb te willen verlenen voor het tijdelijk inkopen van zorg tijdens haar vakantie in het buitenland, als zij gebruik zou maken van een andere vertegenwoordiger dan haar moeder, die bij de eerdere pgb-verlening haar gewaarborgde hulp was en die tevens (mede) haar beoogde zorgverlener is. Appellante is op dit, naar het oordeel van de Raad, zeer redelijke voorstel van het zorgkantoor niet ingegaan.

Wat is vermeld onder 4.3.1 leidt de Raad tot de conclusie dat in dit geval geen sprake is van een situatie als bedoeld in 4.3, waarin de toepassing van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en a, van de Wlz, buiten toepassing moet blijven. Wat appellante verder nog heeft aangevoerd vormt geen reden om hierover anders te oordelen.

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat de weigering aan appellante een pgb te verlenen stand houdt. Aan de bespreking van de overige beroepsgronden wordt niet toegekomen.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) N. Gios

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2026/182 RSV 2026/115
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand