ECLI:NL:CRVB:2026:83

ECLI:NL:CRVB:2026:83

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 25/537 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Beëindiging WIA-uitkering. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Omdat er geen aanleiding wordt gezien te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv bestaat er, ook in hoger beroep, geen reden om een deskundige in te schakelen.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025, 24/3899 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 januari 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 31 december 2023 heeft beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. Appellant heeft nadere medische informatie overgelegd.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 december 2025. Voor appellant is mr. Van Andel verschenen, vergezeld door T. Boukraa. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker voor 38 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 14 juni 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant met ingang van 14 december 2007 in aanmerking gebracht voor een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij appellant onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.

Voor een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juni 2018. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 14 januari 2019 de WIA-uitkering van appellant met ingang van 21 juli 2019 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 9 april 2019 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij medegedeeld appellant het voordeel van de twijfel te gunnen voor wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 juni 2018 en heeft de WIA-uitkering vanaf 21 juli 2019 laten doorlopen op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid.

In het kader van een herbeoordeling heeft een verzekeringsarts in het rapport van 23 september 2019 gesteld dat appellant moet worden opgeroepen voor onderzoek en dat een expertise bij een psychiater en orthopeed aangewezen is.

De psychiatrische expertise van psychiater drs. D. Lam en orthopedische expertise van drs. R.J.P. Noorda zijn in een rapport van 13 februari 2023 neergelegd. Vervolgens heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een FML van 16 februari 2023. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 30 juni 2023 de WIA-uitkering van appellant met ingang van 31 december 2023 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 3 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage en de resterende verdiencapaciteit gewijzigd. De beëindiging van de WIA-uitkering per 31 december 2023 is ongewijzigd gebleven. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de maatmangegevens te wijzigen, heeft de geselecteerde functies als ongewijzigd geschikt beoordeeld en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 10,09%.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was. In het rapport van de verzekeringsarts is het psychiatrisch onderzoek met onder meer verklaringen van appellant uitgebreid opgeschreven. Tijdens het gesprek waren er geen aanwijzingen dat appellant de tolk onvoldoende begreep en is er geen grote taalbarrière vastgesteld. Appellant heeft bovendien niet concreet gemaakt wat hij had willen zeggen als er wel een tolk aanwezig was geweest die zijn taal spreekt.

Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van de neuropsychiater niet worden gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit het verslag van de neuropsychiater van 7 maart 2019 en 29 oktober 2024 niet blijkt hoe de neuropsychiater tot zijn conclusies is gekomen. Er ontbreekt een anamnese, een beschrijving van de voorgeschiedenis en ook een psychisch onderzoek. Ook is niet vermeld of er medische informatie van vorige behandelaars in aanmerking is genomen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep wat betreft het verslag van 29 oktober 2024 opgemerkt dat de neuropsychiater een zeer ernstig beeld beschrijft rond de datum in geding, terwijl dat beeld in een psychiatrische expertise in Nederland niet is vastgesteld en het Nederlandse onderzoek duidelijk is onderbouwd. Verder wordt in het verslag van de neuropsychiater een andere diagnose vermeld dan in zijn eerdere verklaringen. Dit maakt het verslag van de neuropsychiater volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep minder betrouwbaar dan het Nederlandse onderzoek. Daarnaast heeft de rechtbank geen grond gezien om de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de aangevoerde lichamelijke klachten niet te volgen.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een externe deskundige te benoemen, omdat de rechtbank geen twijfel heeft over het medisch onderzoek.

Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep duidelijk heeft toegelicht dat appellant per 16 februari 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zij is op elke grond ingegaan en is op sommige gronden tegemoetgekomen. Zo is de maatmanomvang aangepast naar 48 uur per week en heeft zij de functie productiemedewerker metaal en elektro-industrie laten vallen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.

Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij is onafgebroken arbeidsongeschikt geweest op psychische gronden en het expertiserapport is onvoldoende om te kunnen onderbouwen dat geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld. De behandelaars van appellant hebben een langdurige behandelrelatie met hem sinds 2012, waarbij appellant in zijn eigen taal kan communiceren, tegenover een kortdurend onderzoek in Nederland met een tolk die Arabisch sprak en niet Berber. De expertise is onzorgvuldig omdat appellant niet in zijn eigen taal zijn klachten en beperkingen naar voren heeft kunnen brengen. Ook heeft het gesprek maar 50 minuten geduurd, waarna geconcludeerd is dat in die korte tijd geen argumenten zijn vastgesteld om een diagnose te stellen en er op dat moment geen duidelijke tekenen van hallucinatoir gedrag zouden zijn. Zonder verdere testresultaten wordt aangegeven dat er geen sprake is van een ziekte op psychiatrisch gebied. Het Uwv had de behandelaar kunnen vragen hoe hij tot zijn conclusie is gekomen. Daarnaast heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de resultaten van het onderzoek niet de wijzigingen van de gestelde beperkingen op orthopedisch gebied rechtvaardigen. Ook heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen.

Verder heeft appellant aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn. De taalbeheersing van appellant is onvoldoende om de functies te verrichten. Appellant heeft verwezen naar de uitspraak van 22 januari 2025. De schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal kan niet als algemeen gebruikelijke bekwaamheid worden gezien. Daarnaast heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de functie naaister A, (SBCcode 111160) niet geschikt is omdat sprake is van trillingen bij de voeten door het gebruik van een voetpedaal.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat verdergaande beperkingen voor de psychische klachten aangewezen zijn. De bevindingen van psychiater Lam, de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geven een eenduidig en consistent beeld van de psychische klachten van appellant. Zij hebben allen informatie van de behandelend sector in hun beoordeling betrokken. Verder kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd in de toelichting dat aan de rapporten van de neuropsychiater uit Marokko niet dezelfde waarde kan worden toegekend als aan de beoordelingen gebaseerd op de in Nederland uitgevoerde onderzoeken. Ook de verklaring van de neuropsychiater van 29 oktober 2024 dat de geestelijke gezondheid van appellant in februari 2023 ernstig verstoord was, biedt daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen op 31 december 2023 onjuist zouden zijn.

Omdat er geen aanleiding wordt gezien te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv bestaat er, ook in hoger beroep, geen reden om een deskundige in te schakelen.

Arbeidskundige beoordeling

De beroepsgrond dat de geduide functies voor appellant niet geschikt zijn door zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal slaagt niet. Uit de Basisinformatie Claimbeoordelings- en Borgingssysteem volgt dat opleidingsniveau 1 veronderstelt dat iemand geen tot enkele jaren basisonderwijs heeft gevolgd en dat er geen eisen worden gesteld aan rekenen, lezen of schrijven. In de functie kan wel tel- en leeswerk op de laagste niveaus voorkomen zoals bijvoorbeeld het tellen van een aantal goederen en het lezen van een opschrift of aanduiding. Alle geselecteerde functies zijn op opleidingsniveau 1 en daarvoor geldt volgens vaste rechtspraak dat op grond van de fictie van artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) mag worden verondersteld dat appellant de bekwaamheid van mondelinge beheersing van de Nederlandse taal binnen zes maanden kan verwerven. Voor de vereiste cursussen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nader toegelicht dat voor de functie van inpakker (SBC-code 111190) uit een eerdere vraagstelling aan de arbeidskundig analist is gebleken dat de teksten zowel in Nederlands als Engels kunnen worden gegeven met plaatjes op zeer eenvoudig of laag niveau (meer instructies met korte termen) met een begeleider die ernaast zit (ervaren medewerker of teamleider). De instructies kunnen in het Nederlands gevolgd worden, Engels is bedoeld voor anderstaligen. Bovendien bestaan diverse apps op de telefoon waarmee geschreven of gesproken taal direct wordt vertaald in de eigen voorkeurstaal. Van een onnodige oprekking van het Schattingsbesluit, zoals door appellant ter zitting is gesteld, is geen sprake. Gelet op de functieomschrijvingen en de opleidingseisen worden in de geselecteerde functies geen hoge eisen gesteld aan de beheersing van de Nederlandse taal. De gestelde beperkte beheersing van de Nederlandse taal geeft dan ook geen reden om aan te nemen dat appellant niet geschikt is voor de geselecteerde functies.

Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 11 november 2025 voldoende toegelicht dat de functie textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel), waaronder naaister A, (SBC-code 111160) de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. De voetbediening is geschikt omdat deze vorm van belasting niet onder de beperking valt als bedoeld in item 3.7 en omdat geen sprake is van intensieve schokken of impact op het lichaam. De beweging blijft beperkt tot een voetbeweging in zittende houding.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) J. Bonnema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?