ECLI:NL:CRVB:2026:833

ECLI:NL:CRVB:2026:833

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-06-2026
Datum publicatie 01-07-2026
Zaaknummer 25/504 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

ZW-uitkering ten onrechte blijvend en geheel geweigerd op grond van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. De Raad onderschrijft de conclusie van de psychiater dat de benadelingshandeling verminderd verwijtbaar is. De Raad voorziet zelf in de zaak door de hoogte van de maatregel vast te stellen op 50% van het uitkeringsbedrag.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/504 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 januari 2025, 24/2887 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering terecht blijvend en geheel heeft geweigerd op grond van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Volgens appellant was deze benadelingshandeling hem niet geheel te verwijten. De Raad volgt appellant hierin en neemt aan dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De Raad voorziet zelf in de zaak door de hoogte van de maatregel vast te stellen op 50% van het uitkeringsbedrag.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Renet, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Renet. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant was vanaf 29 januari 2015 werkzaam bij de [naam stichting] (werkgever) als persoonlijk begeleider, met ingang van 1 mei 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Werkgever is eigenrisicodrager in de zin van Hoofdstuk IIIA van de Ziektewet (ZW). Op 19 oktober 2022 is appellant door zijn werkgever op staande voet ontslagen. Door (onder meer) te pinnen met de zakelijke pinpas heeft appellant bedragen van de werkgever ontvreemd. Appellant heeft het ontslag aangevochten en daartoe een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter. Nadat tijdens de zitting afspraken zijn gemaakt, is deze procedure beëindigd. In december 2022 heeft appellant zich bij het Uwv ziekgemeld per 10 oktober 2022.

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant blijvend geheel geweigerd op grond van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant een onnodig beroep doet op een ZW-uitkering doordat hij op basis van zijn gedragingen wegens dringende reden op staande voet is ontslagen.

Bij besluit van 29 januari 2024 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 januari 2023 ongegrond verklaard. Daaraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 januari 2024 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was voldoende op de hoogte van de aard en ernst van de verslavingsproblematiek van appellant. Zijn conclusie, dat geen sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid, is steekhoudend onderbouwd. Op het door appellant overgelegde rapport van psychiater W. Nieuwdorp van 22 mei 2024 en zijn aanvulling op dit rapport, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de rapporten van 21 augustus 2024 en 4 november 2024 afdoende gereageerd. Deze contra-expertise leidt dan ook niet tot twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat sprake is van verwijtbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de maatregel terecht opgelegd en bestond geen dringende reden om hiervan af te zien.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat in op de vraag of appellant handelingsonbekwaam en/of ontoerekeningsvatbaar is, maar deze begrippen maken geen deel uit van het toetsingskader van de ZW. Het gaat om de verwijtbaarheid van het handelen van appellant. Primair stelt appellant zich op het standpunt dat in het geheel geen sprake is van verwijtbaarheid. Subsidiair stelt appellant dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Appellant betwist dat hij destijds weloverwogen keuzes heeft gemaakt. Hij was verslaafd en heeft jarenlang iedereen om zich heen voorgelogen, misleid en bedrogen zodat zijn ernstige verslaving verborgen bleef. Appellant zag de ernst van zijn verslaving niet in en heeft onder dwang van zijn broer hulp gezocht, aanvankelijk ambulante begeleiding en later opname in een kliniek voor intensieve behandeling. Toen appellant drugs gebruikte was enkel van belang het aan drugs komen en het drugsgebruik. Appellant kon de gevolgen van zijn drugsgebruik niet overzien. De rechtbank heeft volgens appellant onvoldoende gewicht toegekend aan de conclusies van psychiater Nieuwdorp. Deze psychiater concludeerde namelijk dat sprake was van een zekere doorwerking van de stoornis op de ten laste gelegde gedraging. Over zijn functioneren bij zijn werkgever stelt appellant dat zijn werkgever helemaal geen zicht had op zijn functioneren medio 2022. Appellant werkte met meerdere ambulant begeleiders op een groep met cliënten zonder leidinggevende en er was geen systeem om het functioneren van werknemers periodiek te onderzoeken. Appellant betwist dat hij zich destijds niet heeft ziekgemeld. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst appellant op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 november 2025 en de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2025.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, over de blijvend en geheel geweigerde ZW-uitkering van appellant, in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.

Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW bepaalt dat het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. In het tweede lid van artikel 45 van de ZW is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het krachtens artikel 45, zesde lid, van de ZW vastgestelde Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten bestaat de maatregel bij een benadelingshandeling als hiervoor bedoeld uit een blijvend gehele weigering van de uitkering, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregel maatregelen Uwv wordt bij het niet naleven van een verplichting uit de vierde categorie de hoogte van de maatregel vastgesteld op 50 procent indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant met het wegnemen van geld bij zijn werkgever een benadelingshandeling heeft gepleegd. Ook is tussen partijen niet in geschil dat bij appellant ten tijde van deze gedragingen sprake was van een verslaving (aan cocaïne) en dat dit is aan te merken als een ziekte. In geschil is of de benadelingshandeling appellant in het geheel niet of in verminderde mate te verwijten valt.

Appellant heeft in dit kader een rapport overgelegd van psychiater Nieuwdorp van 22 mei 2024. Zoals ter zitting door de gemachtigde van appellant is bevestigd, volgt uit dit rapport niet dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In dit rapport wordt namelijk geconcludeerd dat de gedragingen appellant in verminderde mate zijn toe te rekenen, en de overige bewoordingen in dit rapport sluiten hierbij aan. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 november 2025 onderbouwt niet het primaire standpunt van appellant dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het enkele gegeven dat het in die uitspraak ook ging om verslavingsproblematiek maakt niet dat het Uwv van het opleggen van een maatregel had moeten afzien. Het primaire standpunt van appellant wordt daarom niet gevolgd.

In haar rapport van 22 mei 2024 en de aanvulling daarop van 17 oktober 2024 heeft psychiater Nieuwdorp uiteengezet dat bij appellant sprake was van een ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne. Het dagelijks leven van appellant stond volledig in het teken van gebruik. Hij loog en misleidde zijn omgeving, zodat hij zijn hoofddoel van de dag, namelijk het gebruiken van drugs, kon bereiken. Gelet op de ernst van zijn verslaving en de daarbij komende hunkering was het voor appellant ten tijde in geding niet mogelijk om zijn gedrag te begrenzen. Ook kon hij op dat moment volgens Nieuwdorp niet de ernst van de gevolgen van zijn handelen inzien. Vanwege de ernst van zijn verslaving werd hij beperkt in zijn gedragskeuzes. Nieuwdorp concludeert dat de gedragingen appellant in verminderde mate zijn toe te rekenen.

De rapporten van psychiater Nieuwdorp geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Haar conclusies zijn overtuigend onderbouwd op grond van eigen onderzoek, waarbij kennis is genomen van de beschikbare informatie van behandelaars van appellant, waaronder een brief van 28 juli 2022 van het behandelteam van Verslavingszorg Trubendorffer. Er zijn geen aanknopingspunten om de conclusies van Nieuwdorp niet te volgen. Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie hierop heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Deze verzekeringsarts heeft met name gewezen op bepaalde omstandigheden, zoals het goed functioneren van appellant op zijn werk, dat hij zich niet ziek heeft gemeld en is blijven werken tot het ontslag op staande voet en dat hij medio 2022 zelf hulp heeft gezocht. Hiermee zijn de conclusies van Nieuwdorp echter niet afdoende weerlegd. Met name in haar aanvullend rapport van 17 oktober 2024 heeft Nieuwdorp toegelicht dat de beperkte mogelijkheden van appellant om zijn gedrag te begrenzen zich niet op alle aspecten van het leven voordeden. Appellant heeft bepaalde keuzes die niet met zijn gebruik te maken hadden zeker kunnen maken, maar dat gold niet voor keuzes over het drugsgebruik en het verkrijgen van de mogelijkheden tot dat gebruik, zoals financiële middelen. Op dit standpunt van Nieuwdorp heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet met medische (inhoudelijke) argumenten gereageerd. Aangenomen wordt dan ook dat appellant wat betreft het wegnemen van geld bij zijn werkgever, zijn gedrag door de verslaving niet volledig kon begrenzen en de gevolgen hiervan niet (goed) kon overzien. Op grond hiervan onderschrijft de Raad de conclusie van psychiater Nieuwdorp dat de benadelingshandeling verminderd verwijtbaar is. Het subsidiaire standpunt van appellant wordt daarom gevolgd.

Gelet op het voorgaande voldoet het bestreden besluit niet aan de motiveringseis van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daar komt bij dat het Uwv bij zijn beoordeling van de mate van verwijtbaarheid op geen enkele wijze kenbaar is ingegaan op artikel 3 van de Beleidsregel maatregelen Uwv en de daarbij gegeven toelichting. Volgens dit artikel en toelichting moet bij de beoordeling of sprake is van verminderde verwijtbaarheid rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellant, de omstandigheden waaronder het niet naleven van de verplichting heeft plaatsgevonden en de vraag of appellant het verzuim uit eigen beweging heeft gerepareerd. Hoewel de gronden van appellant daartoe aanleiding geven, heeft het Uwv niet te kennen gegeven of en zo ja op welke wijze met de (persoonlijke) omstandigheden van appellant rekening is gehouden. Ook desgevraagd ter zitting heeft het Uwv dit niet nader toegelicht. Het Uwv heeft onder andere niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken dat appellant het geld een aantal keer uit eigen beweging heeft teruggelegd en in zoverre het verzuim uit eigen beweging heeft gerepareerd.

Conclusie en gevolgen

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep en zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Het Uwv heeft ten onrechte de ZW-uitkering blijvend geheel geweigerd. De Raad ziet aanleiding om, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 26 januari 2023 te herroepen en te bepalen dat appellant met ingang van 19 oktober 2022, de datum van de beëindiging van het dienstverband, in aanmerking komt voor een ZW-uitkering, en dat, onder toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregel maatregelen Uwv, een maatregel ter hoogte van 50% gedurende de ZW-uitkering wordt opgelegd.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.332,- in bezwaar, op € 1.868,- in beroep, en op € 1.868,- in hoger beroep, in totaal een bedrag van € 5.068,-. De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep komen tot een bedrag van € 45,80 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking. Voor de kosten van inschakeling van psychiater Nieuwdorp wordt met toepassing van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 € 3.174,- toegekend (19 uur x € 138,06, vermeerderd met 21% omzetbelasting). De veroordeling in de proceskosten wordt daardoor totaal € 8.242,-.

Ook is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en D.H. Harbers en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) M.G.J. van Eck

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2026/185
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand