SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 juli 2024, 22/1460 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Het gaat in deze zaak onder meer over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 7 april 2021 waarin het garantiebedrag is vastgesteld op € 25,02 per dag. Appellant is van mening dat er aanleiding is om hem een hoger garantiebedrag toe te kennen. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en stukken ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Appellant heeft een zienswijze op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Partijen hebben nadere reacties ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 oktober 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontvangt sinds 29 juli 2004 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Per 1 april 2018 ontvangt hij een uitkering op grond van de zogeheten voortgezette werkregeling van hoofdstuk 2 van de Wajong.
Bij besluit van 4 januari 2021 heeft het Uwv het voor appellant geldende garantiebedrag met ingang van 1 januari 2021 vastgesteld op € 21,72 bruto per dag. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 april 2021 heeft het Uwv het besluit van 4 januari 2021 ingetrokken en het garantiebedrag nader vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar van 9 april 2021 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2021 gegrond verklaard en bepaald dat het garantiebedrag vanaf 1 januari 2021 € 25,02 bruto per dag bedraagt. Bij de berekening van het garantiebedrag is uitgegaan van de gemiddelde inkomsten van appellant in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 november 2020. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
Op 18 februari 2022 heeft appellant verzocht om terug te komen van het besluit van 7 april 2021 en het garantiebedrag met ingang van 1 januari 2021 vast te stellen op € 43,21 per dag. Appellant heeft hierbij verwezen naar het met terugwerkende kracht per 1 januari 2021 aan artikel 2 van het Besluit garantiebedrag Wajong (Besluit) toegevoegde vierde lid. Bij besluit van 2 maart 2022 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen.
Bij besluit van 17 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 maart 2022 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van een achteruitgang in uitkering door de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging Wajong. Dat het garantiebedrag per dag vanaf 1 januari 2021 lager is dan de uitkering per dag in december 2020 is het gevolg van het incidenteel lagere inkomen in december 2020 en is geen direct gevolg van de toepassing van de nieuwe rekenregels. Er is dus geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft overwogen dat in geschil is de hoogte van het garantiebedrag waarop appellant per 1 januari 2021 recht heeft ingevolge artikel 8:8 van de Wajong.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het garantiebedrag terecht heeft berekend volgens de hoofdregel van artikel 2, eerste lid, van het Besluit en niet volgens de bijzondere regeling van artikel 2, vierde lid, van het Besluit. De bepalingen over de wijze van berekenen van het garantiebedrag beogen uiteindelijk, net als de moederbepaling artikel 8:8 van de Wajong, te verzekeren dat een werkende Wajonger er op het moment van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging Wajong in totaalinkomen niet of in ieder geval niet direct op achteruitgaat. Dat een zodanig resultaat – het voorkomen van een achteruitgang in totaalinkomen – in dit geval niet wordt bereikt met toepassing van de hoofdregel voor deze berekening van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, is gesteld noch gebleken. Voor toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel 2, vierde lid, van het Besluit, zoals bepleit door appellant, bestaat dan ook geen grond. Deze bepaling is immers geschreven voor die gevallen waarin de hoofdregel geen soelaas biedt. Appellant heeft overigens ter zitting erkend dat de toepassing van artikel 2, vierde lid, van het Besluit hem juist een structureel financieel voordeel zou opleveren.
Over de stelling van appellant dat er sprake is van willekeur, heeft de rechtbank overwogen dat deze procedure zich beperkt tot het geschil tussen appellant en het Uwv over het bestreden besluit van 17 juni 2022. In dat verband is de beslissing van 9 april 2021 van het Uwv in een andere procedure niet van belang. Appellant heeft overigens tegen die beslissing geen beroep ingesteld.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. In de beslissing op bezwaar van 9 april 2021 is appellant expliciet gewezen op de mogelijkheid om een verzoek om terug te komen van het vastgestelde garantiebedrag in te dienen als de regelgeving zou wijzigen. Appellant heeft er daarom op mogen vertrouwen dat zijn verzoek inhoudelijk en in volle omvang door het Uwv opnieuw zou worden beoordeeld. Bovendien is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Appellant voldoet namelijk aan de letterlijke tekst en daarmee aan de voorwaarden van artikel 2, vierde lid, van het Besluit. Verder stelt appellant dat bij de berekening van het garantiebedrag enkel de representatieve maanden in de middelingsperiode van 1 december 2019 tot en met 30 november 2020 betrokken dienen te worden. Appellant wordt onevenredig zwaar benadeeld en toepassing van het Besluit leidt tot hardheid. Appellant heeft daarbij nog gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Het bestreden besluit acht appellant ten slotte in strijd met de door het Uwv in acht te nemen zorgvuldigheid en het motiveringsbeginsel.
Het incidenteel hoger beroep en standpunt van het Uwv
4. Het Uwv kan zich niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat de hoogte van het garantiebedrag in geschil zou zijn. Enkel ligt voor de vraag of het Uwv terecht heeft besloten om niet terug te komen van het besluit van 7 april 2021 waarin het garantiebedrag is vastgesteld op € 25,02 bruto per dag. De omvang van het verzoek om terug te komen van dit besluit is daarbij beperkt tot de uiterlijk in de bezwaarprocedure door appellant aangevoerde gronden. Het Uwv heeft het verzoek van appellant niet inhoudelijk beoordeeld als ware het een eerste aanvraag. Het verzoek van appellant is afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van het verzoek om terug te komen op het besluit van 7 april 2021 in stand heeft gelaten. De Raad doet dit aan de hand van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het incidenteel hoger beroep van het Uwv
De Raad zal allereerst het incidenteel hoger beroep van het Uwv beoordelen.
Het standpunt van het Uwv dat het geschil zich beperkt tot de vraag of het Uwv terug dient te komen van het besluit van 7 april 2021 waarin het garantiebedrag is vastgesteld op € 25,02, wordt gevolgd. Naar aanleiding van het met terugwerkende kracht per 1 januari 2021 aan artikel 2 van het Besluit toegevoegde vierde lid, heeft appellant verzocht om terug te komen van het eerder genomen besluit. Het Uwv heeft vervolgens uitsluitend beoordeeld of het toegevoegde vierde lid gevolgen heeft voor het eerder vastgestelde garantiebedrag en er in die zin sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Een volledig hernieuwde inhoudelijke beoordeling van het eerder vastgestelde garantiebedrag heeft het Uwv niet verricht.
Voor zover appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel doet, wordt hij hierin niet gevolgd. In het besluit van 9 april 2021 is appellant gewezen op de mogelijkheid om in geval van een wetswijziging bij het Uwv een verzoek in te dienen om terug te komen van het eerder bij besluit van 7 april 2021 vastgestelde garantiebedrag. Niet is toegezegd dat in dat geval het verzoek inhoudelijk zou worden beoordeeld, als ware het een eerste aanvraag.
Dit betekent dat het incidenteel hoger beroep van het Uwv slaagt.
Het hoger beroep van appellant
De Raad beoordeelt vervolgens het hoger beroep van appellant en komt tot het oordeel dat dit hoger beroep niet slaagt.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellant beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet valt onder de werking van artikel 2, vierde lid, van het Besluit en de toevoeging van het vierde lid per 1 januari 2021. Met de toevoeging van het vierde lid is enkel beoogd om de onbedoelde effecten van de invoering van de nieuwe rekenregels in de Wet vereenvoudiging Wajong voor een specifieke groep Wajongers weg te nemen. Het gaat hierbij om de groep Wajongers met een vast inkomen in december 2020 en januari 2021, bij wie – ondanks het vastgestelde garantiebedrag – per 1 januari 2021 een achteruitgang optrad als direct gevolg van de nieuwe rekenregels. Het ging daarbij uitdrukkelijk niet om Wajongers van wie de lagere uitkering in januari 2021 een gevolg is van andere oorzaken dan de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging Wajong. Dit blijkt uit een memo van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 maart 2021 (‘Analyse lager garantiebedrag dan uitkering december 2020, bedoeld of onbedoeld effect’), een brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 juli 2021 en de desgevraagd door het Uwv in geding gebrachte brief van de minister van 25 februari 2022 en de daarbij behorende Bijlage herstelactie garantiebedrag Wajong van 9 februari 2022.
Het inkomen van appellant bedroeg in de maand december 2020 € 70,- en in de maand januari 2021 € 1.980,-. Er is bij appellant dus geen sprake van een vast inkomen in de maanden december 2020 en januari 2021. De achteruitgang in Wajong-uitkering in de maand januari 2021 ten opzichte van de maand december 2020 is het gevolg van het fors hogere inkomen van appellant in de maand januari 2021 ten opzichte van de maand december 2020 en is daarmee niet het directe gevolg van de nieuwe rekenregels. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant dus niet valt onder de werking van artikel 2, vierde lid, van het Besluit en dat dit toegevoegde vierde lid daarom geen relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid inhoudt, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de weigering om terug te komen van het besluit van 7 april 2021 evident onredelijk is. Toepassing van de oude rekenregels zou in het geval van appellant in de maand januari 2021 hebben geleid tot een lagere uitkering dan het nu vastgestelde garantiebedrag van € 25,02. Deze uitkomst is conform de bedoeling van de regelgever, dat het garantiebedrag ervoor zorgt dat de jonggehandicapte er als gevolg van de nieuwe rekenregels per 1 januari 2021 niet op achteruit gaat. Het gaat dus niet om een keuze voor het hoogste garantiebedrag.
Het Uwv heeft ook terecht geen aanleiding gezien om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 7 april 2021. Daarvoor is immers vereist dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. Daarvan is in het geval van appellant geen sprake. Het garantiebedrag is vastgesteld in overeenstemming met artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van de gronden, worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 7 april 2021 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en D.S. de Vries en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 4:6, van de Awb
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Artikel 2:40. Inkomensondersteuning
1. De inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:39, eerste lid,
bedraagt per dag:
a. voor een jonggehandicapte die werkt met loondispensatie als bedoeld in artikel 2:20: (0,7 * G) – (0,7 * compensatiefactor * I); en
b. voor andere jonggehandicapten: 0,7 * (G – I).
2. De compensatiefactor bedraagt: (LW – 0,3) / (0,7 x LW).
3. Voor zover dit leidt tot een hoger bedrag aan inkomensondersteuning per dag, bedraagt de inkomensondersteuning per dag, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a: (I/LW) – I.
4. De G staat voor de grondslag, de I voor het inkomen per dag en de LW voor de verminderde arbeidsprestatie, bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, uitgedrukt in een percentage van het minimumloon.
Artikel 8:8, van de Wajong (Garantiebedrag in verband met gewijzigde regels inkomensvoorziening en arbeidsongeschiktheidsuitkering)
1. Het Uwv stelt een garantiebedrag vast voor de jonggehandicapte die:
a. in de maand voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB van de wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong (Stb. 2020, 173) inkomen geniet en in de daaropvolgende maand nog steeds inkomen geniet; (…)
2. Het garantiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze behorende bij de inkomensvoorziening of arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de jonggehandicapte op grond van de hoofdstukken 2 en 3, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet of artikel XII, onderdeel R, van de Verzamelwet SZW 2021 recht zou hebben gehad in de maand van inwerkingtreding van:
a. artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet, waarbij het inkomen in afwijking van de betreffende artikelen staat voor het gemiddelde inkomen per dag over een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde periode, die voor verschillende situaties verschillend kan worden vastgesteld; (…)
4. De jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, heeft recht op een inkomensvoorziening of een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter hoogte van het garantiebedrag wanneer de inkomensvoorziening of de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 2:40, 2:46, 3:8 of 3:8b, het garantiebedrag niet te boven gaat.
Artikel 2, van het Besluit
1. De periode, bedoeld in artikel 8:8, tweede lid, van de Wajong is voor de jonggehandicapte die in het jaar 2020 inkomen geniet sinds:
a. de maand november of eerder: de maanden december 2019 tot en met november 2020; (…)
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden slechts de maanden in aanmerking genomen waarin inkomen is genoten.
4. Voor de jonggehandicapte die op grond van artikel 8:8, vierde lid, van de Wajong recht heeft op een inkomensvoorziening of arbeidsongeschiktheidsuitkering ter hoogte van het garantiebedrag is de periode, bedoeld in artikel 8:8, tweede lid, van de Wajong, in afwijking van het eerste en tweede lid, december 2020, indien toepassing van het eerste en tweede lid leidt tot een garantiebedrag dat lager is dan de inkomensondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de jonggehandicapte recht had in december 2020.