ECLI:NL:CRVB:2026:93

ECLI:NL:CRVB:2026:93

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 21/1156 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Toekenning Loongerelateerde WGA-vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 62,33%. De Raad volgt het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige. Het rapport van de door Raad ingeschakelde deskundige van 18 september 2024 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft op 15 juli 2024 met appellant gesproken en zij heeft de medische gegevens van de behandelaars van appellant bij haar beoordeling betrokken. De Raad ziet geen aanleiding om het rapport en de nadere reactie van de deskundige niet te volgen. Uitgaande van de juistheid van de op 1 oktober 2024 aangepaste FML, is de Raad van oordeel dat de functies die in hoger beroep ten grondslag zijn gelegd aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, voor appellant geschikt zijn.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

21/1156 WIA, 24/2778 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 februari 2021, 20/2224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 januari 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 23 januari 2020 heeft vastgesteld op 62,33%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 september 2022. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

Ter zitting heeft de Raad het onderzoek geschorst.

De Raad heeft verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als onafhankelijke deskundige benoemd. Greveling-Fockens heeft op 27 november 2023 de opdracht teruggegeven.

De Raad heeft psychiater I.S. Hernandez-Dwarsing als onafhankelijke deskundige benoemd. De deskundige heeft op 18 september 2024 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben gereageerd op het rapport van de deskundige.

Het Uwv heeft op 11 november 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Partijen hebben gereageerd op elkaars standpunten. De deskundige heeft op 11 maart 2025 aanvullend gerapporteerd.

Op 10 juni 2025 heeft appellant een wrakingsverzoek ingediend. Bij uitspraak van 28 augustus 2025 heeft de wrakingskamer van de Raad het wrakingsverzoek afgewezen.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als arts voor 32,45 uur per week. Op 26 juni 2015 heeft hij zich ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 23 juni 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 52,13%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant met ingang van 23 januari 2020 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45 tot 55%.

Appellant heeft op 1 november 2019 gemeld dat zijn klachten per 20 oktober 2019 zijn toegenomen. Appellant heeft het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 januari 2020. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 58,90%. Het Uwv heeft bij besluit van 31 januari 2020 appellant met ingang van 23 januari 2020 een WGAvervolguitkering toegekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 juli 2020 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit 1 liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft enkele functies laten vervallen en nieuwe functies geselecteerd. De mate van arbeidsongeschiktheid is niet gewijzigd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 1 in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Het standpunt van appellant dat het door de verzekeringsarts opgestelde rapport onvolledig zou zijn, is terug te voeren op het feit dat appellant in de bezwaarfase niet het volledige rapport van de verzekeringsarts is toegestuurd. In beroep heeft appellant alsnog alle stukken toegezonden gekregen. Het is de rechtbank niet gebleken dat in de uitgebreide versie van het rapport van de verzekeringsarts de door appellant genoemde klachten ontbreken. Ten aanzien van de stelling van appellant dat overleg met de huisarts had moeten plaatsvinden, heeft de rechtbank overwogen dat dit geen vereiste is. Ten tijde van het medisch onderzoek door de verzekeringsarts was geen sprake van enige behandeling. Appellant heeft in beroep ook niet aangegeven over welke informatie zijn huisarts nog zou beschikken die bij de beoordeling is gemist. De rechtbank heeft in het rapport van de verzekeringsarts in ieder geval geen aanleiding gezien voor de stelling van appellant dat de door de huisarts gestelde depressie ‘zonder meer’ door de verzekeringsarts van tafel zou zijn geveegd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. In zijn rapport van 15 januari 2020 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat er bij appellant sprake is van lichte/milde afwijkingen, waarbij behandeladviezen zich goeddeels beperken tot oefentherapie en uitleg, maar dat appellant desondanks claimt dat hij daardoor zeer ernstig beperkt wordt in zijn functioneren. Verder zoekt appellant geen (andere/aanvullende) behandeling of begeleiding voor zijn klachten, neemt hij nauwelijks medicatie en volgt hij adviezen van behandelaren niet op. Vervolgens heeft verzekeringsarts ten aanzien van zowel appellants psychische klachten als fysieke klachten in een uitgebreid weergegeven overweging gemotiveerd uiteengezet hoe tot de in de FML vermelde geobjectiveerde beperkingen is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 2 juli 2020 aangegeven dat, ondanks dat appellant aangeeft een ernstige depressie te hebben, ernstige cognitieve affectieve of conatieve stoornissen niet worden gevonden, behandeling niet gaande is en appellant geen gebruik maakt van onderhoudsmedicatie voor een ernstig psychiatrisch ziektebeeld. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat de verzekeringsarts ten aanzien van de rug-, knie- en heupklachten van appellant alleen maar milde (degeneratieve) afwijkingen heeft gevonden en dat zijn handen, ondanks de klachten als gevolg van de ziekte van Dupuytren, nog voldoende functioneel zijn. Verder stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast dat de liesklachten van appellant als gevolg van een ‘matje’ door de verzekeringsarts zijn meegenomen in de beoordeling. Hetzelfde geldt voor zijn gehoor- en oogproblemen en de hartritmestoornis. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is door de verzekeringsarts met name aandacht besteed en rekening gehouden met de toename claim van appellant en is op de hoorzitting in bezwaar niet naar voren gekomen dat de overige aandoeningen van appellant eveneens evident zijn gewijzigd. Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen voldoende kenbaar en draagkrachtig gemotiveerd dat de beperkingen van appellant op een juiste wijze zijn beoordeeld. Uit de medische gegevens is niet gebleken dat daarmee de beperkingen van appellant zijn onderschat. In beroep heeft appellant geen recente nadere medische gegevens over hemzelf ingebracht, waardoor de rechtbank geen aanleiding heeft gezien om tot een andersluidend oordeel te komen. De door appellant wel ingebrachte, oudere medische informatie zien niet op de datum in geding. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn reactie hierop van 22 oktober 2020 gesteld dat hierin geen ernstige afwijkingen worden beschreven of geen medische feiten bevatten. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet voor appellant geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geschiktheid van de geduide functies van een afdoende adequate toelichting voorzien. De stelling van appellant dat geen werkgever hem nog aanneemt, gelet op zijn leeftijd en gebrek aan ervaring, slaagt niet. De vraag naar de kansen van appellant op de arbeidsmarkt raakt aan re-integratie en aan arbeidsmarktfactoren en dient buiten beschouwing te blijven bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft de bezwaar en beroepsgronden gehandhaafd. Appellant acht zich meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen. Hij heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij recent onder behandeling is bij een psychiater en dat sprake is van een persisterende depressieve stoornis. Zijn orthopedische klachten nemen toe, voornamelijk de beperkingen aan zijn hand ten gevolge van onder andere de ziekte van Dupuytren. Volgens appellant zijn klachten als gevolg van een liesbreukoperatie met matjes ten onrechte niet door de verzekeringsartsen geobjectiveerd. Onder verwijzing naar het arrest Korošec heeft appellant verzocht om een deskundige te benoemen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Benoeming deskundige

5. Omdat er bij de Raad twijfel bestond of voor appellant, gelet op de medische informatie van de behandelend psychiater J. M. Persoon enerzijds en de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep anderzijds, voldoende beperkingen waren opgenomen in de FML van 15 januari 2020, heeft de Raad aanleiding gezien een deskundige te benoemen.

Op 22 november 2023 heeft de Raad verzekeringsarts Greveling-Fockens benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. In een rapport van 27 november 2023 heeft Greveling-Fockens vermeld dat zij na screening van de stukken heeft besloten de opdracht op dat moment niet te kunnen aannemen. De reden hiervoor is dat zij alleen op basis van de brief van behandelend psychiater Persoon geen aanleiding zag om op datum in geding uit te gaan van de gestelde diagnoses. Dit omdat de psychiater betrokkene pas vanaf april 2021, ruim na datum in geding, onder behandeling had en geen onderzoeksbevindingen of overwegingen heeft vermeld waarop de gestelde diagnoses zijn gebaseerd. GrevelingFockens heeft de Raad geadviseerd om in eerste instantie als deskundige een psychiater te benoemen en, indien gewenst, daarna weer een verzekeringsarts.

De Raad heeft psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing als deskundige benoemd. De deskundige heeft appellant onderzocht en het dossier bestudeerd. De deskundige heeft daarnaast een aanvullend persoonlijkheidsonderzoek laten verrichten door een klinisch neuropsycholoog en een psychodiagnostisch medewerker. Een deel van de anamnese werd verricht door een GZ-psycholoog. De deskundige heeft in haar rapport van 18 september 2024 geconcludeerd dat bij appellant op de datum in geding sprake is van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis, een dwangmatige persoonlijkheidsstoornis, een vermijdende persoonlijkheidsstoornis en een persisterende depressieve stoornis (dysthymie) met angstige spanning. De verzekeringsartsen hebben onvoldoende rekening gehouden met de psychische klachten en de beperkingen die daaruit voortkomen. De FML dient te worden aangevuld met beperkingen op de volgende items in het persoonlijk en het sociaal functioneren: uiten van gevoelens, hanteren van emotionele problemen van anderen, omgaan met conflicten, samenwerken en herinneren. Het betreffen matige beperkingen en deze komen voort uit de vastgestelde persisterende depressieve stoornis en de onderliggende persoonlijkheidspathologie.

Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 1 oktober 2024 een gewijzigde FML opgesteld, waarin aanvullende beperkingen in lijn met het rapport van de deskundige zijn opgenomen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 18 oktober 2024 met de gewijzigde FML van 1 oktober 2024 functies geselecteerd. Op basis van deze functies bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid 62,33%. Met een nieuwe beslissing op het bezwaar van 11 november 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant (alsnog) gegrond verklaard, omdat hij per 23 januari 2020 voor 62,33% arbeidsongeschikt wordt geacht. De WGA-vervolguitkering van appellant wordt onveranderd berekend naar een uitkeringspercentage van 55 tot 65.

In reactie op het rapport van de deskundige Hernandez-Dwarkasing heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft. Verder heeft appellant gereageerd op de door de klinisch neuropsycholoog gegeven behandeladviezen. Appellant heeft onder meer naar voren gebracht dat er naar de werkzaamheid van psychotherapie bij vermijdende en dwangmatige persoonlijkheidsstoornissen nauwelijks goed uitgevoerde onderzoeken bestaan. Appellant vreest dat behandeling van de persoonlijkheidsstoornissen zal leiden tot een toename van zijn klachten.

De reacties van partijen, en ook de FML van 1 oktober 2024, zijn voorgelegd aan de deskundige Hernandez-Dwarkasing. De deskundige heeft meegedeeld vanuit psychiatrisch perspectief bezien met de gewijzigde FML van 1 oktober 2024 akkoord te gaan. De klinisch neuropsycholoog heeft in een reactie op de argumenten van appellant geconcludeerd dat het, gezien de nu gebleken motivatie van appellant en de te verwachten lange wachttijden voor behandeling binnen de specialistische ggz, inderdaad de vraag is of behandeling van de persoonlijkheidsstoornissen tot significante verbetering zal leiden voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt.

Appellant heeft te kennen gegeven het hoger beroep te handhaven. Appellant heeft verzocht om, gelijk het eerdere voornemen van de Raad, alsnog een onafhankelijke verzekeringsarts te benoemen om zijn belastbaarheid vast te stellen. Appellant heeft aangevoerd dat ook de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgestelde FML niet meer geldig is, omdat zijn fysieke en psychische klachten inmiddels sterk zijn toegenomen. Daarbij heeft appellant vraagtekens gezet bij de objectiviteit van de verzekeringsartsen van het Uwv en de kwaliteit van het onderzoek door deze verzekeringsartsen, mede gelet op de kwaliteitseisen die door het Uwv zelf zijn vastgelegd. Appellant vraagt zich af waarom zijn eigen medische kennis terzijde wordt geschoven. Appellant heeft voorts gesteld dat er na de datum in geding vijf jaren zijn verstreken waarin het Uwv geen onderzoek heeft gedaan naar zijn beperkingen, terwijl uit de door hem in de procedure aangeleverde medische informatie blijkt dat die beperkingen zijn toegenomen. Appellant heeft daarbij gewezen op medische informatie waarin zou zijn vastgesteld dat sprake is van forse beperkingen aan de linkerhand, maar recent ook rechts als gevolg van de ziekte van Dupuytren. Appellant stelt dat tendinose de klachten aan zijn voeten verklaart die hij al jaren heeft en dat die door het Uwv zijn onderschat. Daarbij zijn de linker enkelbanden in het verleden gescheurd. Recent heeft een fysiotherapeut geconstateerd dat hij door zijn wervelkolom thoracaal en cervicaal zwaar beperkt wordt in zijn bewegingen. Appellant ervaart nu ook reumatische klachten. Appellant heeft er voorts op gewezen dat hij sinds twee jaar zware pijnmedicatie gebruikt. Appellant heeft verder aangevoerd dat uit publicaties en een uitzending van Radar is gebleken dat het matje waarmee zijn liesbreuk is verholpen tot de door hem ervaren pijnklachten kan leiden. De realiteit is dat hij door zijn leeftijd en zijn beperkingen geen kans heeft op de arbeidsmarkt.

Het oordeel van de Raad

6. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank een oordeel heeft gegeven over bestreden besluit 1, niet in stand kan blijven. De Raad zal zowel de aangevallen uitspraak als bestreden besluit 1 vernietigen. Omdat bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet komt aan het bezwaar van appellant, wordt gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht dit besluit mede in de beoordeling betrokken.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 23 januari 2020 heeft vastgesteld op 62,33%.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

Voorop wordt gesteld dat het in dit hoger beroep gaat om de vraag wat de medische beperkingen en belastbaarheid van appellant was op de datum in geding, 23 januari 2020. Anders dan appellant heeft betoogd, ligt een verslechtering van de medische toestand van appellant na de datum in geding in deze procedure niet ter beoordeling voor.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De Raad onderschrijft de (uitvoerig gemotiveerde) overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid. Daarbij is de rechtbank ook ingegaan op de omstandigheid dat appellant op het spreekuur van de verzekeringsarts van 17 december 2019 lichamelijk en psychisch is onderzocht en in de bezwaarfase (enkel) een telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden in het bijzijn van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Wat betreft de lichamelijke klachten heeft appellant in hoger beroep geen medische gegevens in geding gebracht die een ander licht werpen op zijn beperkingen op de datum in geding. Appellant wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat geen dan wel onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten. Zoals ook in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 juli 2020 is geconcludeerd, was de verzekeringsarts op de hoogte van de lichamelijke klachten van appellant en heeft hij daarnaar gericht lichamelijk onderzoek gedaan. Hij heeft die klachten en de medische informatie van de behandelend sector kenbaar meegewogen in de beoordeling. In het rapport van 2 juli 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconstateerd dat bij appellant sprake is van handklachten als gevolg van de ziekte van Dupuytren, rugklachten, knieklachten, heupklachten. Dat appellant klachten heeft als gevolg van de liesbreukoperatie die appellant op 13 september 2015 heeft ondergaan en de mat die daarbij is geplaatst was bekend en is meegewogen. Dit geldt ook voor de gehoor- en oogproblemen. In beroep en hoger beroep heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de door appellant aangevoerde gronden en overgelegde stukken aanvullend gerapporteerd. Daarbij is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 2 december 2022 terecht vastgesteld dat ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na de datum in geding 23 januari 2020 buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen die de deskundige in het rapport van 18 september 2024 heeft vermeld, overgenomen in de FML van 1 oktober 2024. De deskundige heeft bij nader rapport van 27 september 2018 te kennen gegeven dat zij zich vanuit psychiatrisch perspectief kan vinden in de gewijzigde FML van 1 oktober 2024.

Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk door hem ingeschakelde deskundige volgt, als de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de door Raad ingeschakelde deskundige van 18 september 2024 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft op 15 juli 2024 met appellant gesproken en zij heeft de medische gegevens van de behandelaars van appellant bij haar beoordeling betrokken. De Raad ziet geen aanleiding om het rapport en de nadere reactie van de deskundige niet te volgen.

Zoals in 5 is overwogen, heeft appellant in hoger beroep met de door hem ingezonden medische informatie van psychiater Persoon twijfel gezaaid over de juistheid van het medisch standpunt van het Uwv en de beperkingen in de FML van 30 januari 2020. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is er gezien de rapporten van de ingeschakelde deskundige psychiater Hernandez-Dwarsing geen twijfel over de juistheid van het standpunt van het Uwv dat in de (naar aanleiding van het deskundige rapport) aangepaste FML van 1 oktober 2024 in voldoende mate rekening wordt gehouden met de beperkingen van appellant op 23 januari 2020. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een verzekeringsarts als deskundige.

Arbeidskundige beoordeling

Uitgaande van de juistheid van de op 1 oktober 2024 aangepaste FML, is de Raad van oordeel dat de functies van textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBCcode 111160, productiemedewerker industrie (samensteller) (SBC-code 111180), administratief medewerker, correspondent (SBC-code 515100) en wikkelaar (SBCcode 267053) en administratief medewerker (document scannen) (SBC-code 315133), zoals die in hoger beroep ten grondslag zijn gelegd aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, voor appellant geschikt zijn. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 oktober 2024 is op toereikende wijze gereageerd op de signaleringen van de belastende factoren in de functies.

Conclusie en gevolgen

7. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen bestreden besluit 1 wordt gegrond verklaard en bestreden besluit 1 wordt vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt niet en wordt daarom ongegrond verklaard.

8. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

9. Appellant krijgt het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoed.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juli 2020 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 november 2024 ongegrond;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) D. Semiz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?