ECLI:NL:CRVB:2026:941

ECLI:NL:CRVB:2026:941

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 16-07-2026
Zaaknummer 24/2729 PW-PV
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Intrekking en terugvordering van bijstand. Huren van een bankkluis. Schending inlichtingenverplichting. Niet in geschil is dat appellante een kluis heeft gehuurd. De kluis stond op naam van appellante, zij betaalde de huurprijs en zij had als enige toegang tot de kluis. Ook niet in geschil is dat appellante aan het college geen mededeling heeft gedaan van het huren van de kluis of van de inhoud daarvan. De Raad heeft eerder overwogen dat het bezit van een bankkluis een omstandigheid is waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kan zijn op het recht op bijstand Appellante had van het huren van de kluis dan ook onverwijld mededeling moeten doen aan het college. Nu appellante dit heeft nagelaten, heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Door de kluis niet te melden en vervolgens ook het college de toegang te weigeren, heeft appellante het college de mogelijkheid ontnomen om vast te stellen wat er in de kluis lag, of van wie de inhoud van de kluis afkomstig was.

Uitspraak

24/2729 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 november 2024, 23/8659 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te '[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 14 juli 2026

Zitting heeft: P.W. van Straalen

Griffier: J. Bonnema

De zitting is gehouden op 14 juli 2026. Voor appellante is mr. A. Dogan, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak over de intrekking van bijstand over de periode van 2 juni 2022 tot en met 2 februari 2023 en de terugvordering van kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 8.459,37. De reden hiervoor is dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij een kluis huurde. Als gevolg daarvan kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.

Niet in geschil is dat appellante met ingang van 2 juni 2022 onafgebroken een kluis heeft gehuurd. De kluis stond op naam van appellante, zij betaalde de huurprijs en zij had als enige toegang tot de kluis. Ook niet in geschil is dat appellante aan het college geen mededeling heeft gedaan van het huren van de kluis of van de inhoud daarvan. De Raad heeft eerder overwogen dat het bezit van een bankkluis een omstandigheid is waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Appellante had van het huren van de kluis dan ook onverwijld mededeling moeten doen aan het college. Nu appellante dit heeft nagelaten, heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

Dit wordt niet anders omdat appellante stelt dat zij van de kluis geen mededeling hoefde te doen omdat zij de kluis voor haar dochter huurde en dat de dochter feitelijk degene was die de kluis huurde. Zij voert daartoe aan dat de kluis alleen op haar naam stond omdat haar dochter daar sieraden in wilde bewaren en niet wilde dat de ex-partner van de dochter daarvan zou weten. De huur kreeg zij contant van haar dochter terug. Deze grond slaagt al niet omdat appellante haar stelling niet heeft onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De Raad kent hierbij ook betekenis toe aan de omstandigheid dat het college appellante tijdens een gesprek op 2 februari 2023 heeft gevraagd om toegang tot de kluis, welke toegang appellante heeft geweigerd. Door de kluis niet te melden en vervolgens ook het college de toegang te weigeren, heeft appellante het college de mogelijkheid ontnomen om vast te stellen wat er in de kluis lag, of van wie de inhoud van de kluis afkomstig was.

Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.

Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.

Appellante stelt in dit verband dat het niet realistisch is dat in de kluis een vermogen zou hebben gelegen tot het terugvorderingsbedrag. Daarnaast voert zij aan dat zij bij invordering lange tijd onder bijstandsniveau zal moeten leven.

Het college heeft wat appellant in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd bij

afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarvoor is van belang dat niet duidelijk is wat de inhoud van de kluis was en appellant bij invordering de bescherming geniet van de beslagvrije voet. De invordering maakt als zodanig niet dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) J. Bonnema (getekend) P.W. van Straalen

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:258. ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2026/204 met annotatie van I.M. Lunenburg, mr. dr. L.M. Koenraad
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand