ECLI:NL:CRVB:2026:955

ECLI:NL:CRVB:2026:955

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-06-2026
Datum publicatie 21-07-2026
Zaaknummer 24/2520 POL
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het gaat in deze zaak om een ontslagbesluit, waarbij primair een strafontslag en subsidiair een ongeschiktheidsontslag is opgelegd. Net als de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat dit ontslagbesluit geen stand houdt. De in de nieuwe beslissing op bezwaar opgelegde straf van plaatsing in een lagere schaal en de bijkomende maatregel van overplaatsing houden wel stand. Voor de rangverlaging bestaat geen wettelijke grondslag.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

24/2520 POL, 25/292 POL, 25/318 POL

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 september 2024, 23/881 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Korpschef van Politie (de korpschef)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Het gaat in deze zaak om een ontslagbesluit, waarbij primair een strafontslag en subsidiair een ongeschiktheidsontslag is opgelegd. Net als de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat dit ontslagbesluit geen stand houdt. De in de nieuwe beslissing op bezwaar opgelegde straf van plaatsing in een lagere schaal en de bijkomende maatregel van overplaatsing houden wel stand. Voor de rangverlaging bestaat geen wettelijke grondslag.

PROCESVERLOOP

Namens de korpschef is hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M. van der Steeg, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, op 6 december 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens betrokkene heeft Van der Steeg op dat besluit een reactie gegeven.

Met toepassing van artikel 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is deze nieuwe beslissing op bezwaar in de lopende procedure betrokken.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Hoogerhuis-Wessels, mr. D.R. Timmer en R.P. Groen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [naam] .

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Betrokkene is vanaf 1982 werkzaam geweest bij de politie, laatstelijk in de functie van [functie 1] bij het Basisteam [gebied 1] ( [plaats 1] ) in de Eenheid [regio 1] . Daarvoor is betrokkene werkzaam geweest als [functie 2] bij het basisteam [gebied 2] .

Betrokkene en [naam meldster] (hierna: meldster) zijn eind 2019 een affectieve relatie met elkaar aangegaan. Beiden waren op dat moment (formeel) werkzaam in het basisteam [gebied 2] en betrokkene was formeel de leidinggevende van meldster. Meldster had daar formeel de functie van [functie 3] , maar zij was feitelijk werkzaam in het team [naam team] ( [naam team] ) te [plaats 2] . Meldster was in september 2017 ziek uitgevallen en zij is vanaf 1 april 2019 in verband met een reintegratie tijdelijk te werk gesteld bij [naam team] . Meldster is per 1 mei 2019 voor 99% hersteld gemeld. Meldster heeft op 22 november 2019 een voorgenomen herplaatsingsbesluit ontvangen naar [naam team] , waarna ze eind november 2019 volledig hersteld gemeld is. De formele herplaatsing naar het team [naam team] in [plaats 2] is per 1 februari 2020 gerealiseerd. De relatie tussen betrokkene en meldster is in augustus 2020 beëindigd.

Op 14 maart 2021 heeft meldster per e-mail aan een sectorhoofd gemeld dat zij gedurende enkele maanden een seksuele relatie heeft gehad met betrokkene. Dat heeft ertoe geleid dat de korpschef aan het team Veiligheid, Integriteit en Klachten de opdracht heeft gegeven om een oriënterend onderzoek in te stellen naar een aantal gedragingen van betrokkene.

Naar aanleiding van de resultaten van het oriënterend onderzoek heeft de korpsleiding met een brief van 13 juli 2021 een disciplinair onderzoek aan betrokkene aangezegd en hem medegedeeld dat hij op grond van artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) buiten functie wordt gesteld. Van het disciplinair onderzoek is op 18 november 2021 een rapport uitgebracht. Daarna heeft nog aanvullend onderzoek plaatsgevonden.

Met een besluit van 24 januari 2022 is betrokkene geschorst op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef onder b, van het Barp.

Na een voornemen daartoe en de zienswijze daarop van betrokkene is met een besluit van 31 mei 2022 aan betrokkene, primair, de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd en, subsidiair, ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Aan dit ontslagbesluit heeft de korpschef de volgende gedragingen ten grondslag gelegd, die volgens de korpschef in onderlinge samenhang maar ook ieder afzonderlijk te kwalificeren zijn als plichtsverzuim.

a. het door betrokkene aangaan van een seksuele relatie met een ondergeschikte en kwetsbare medewerkster (meldster), die hij begeleidde in haar re-integratie, terwijl hij wist, althans had kunnen weten, dat bij haar sprake was van psychische problematiek, te weten een angst- en paniekstoornis (piekerstoornis) en PTSS;

het in een politiegebouw meerdere keren hebben van seks en/of verrichten van seksuele handelingen met meldster;

het onder diensttijd, tijdens een werkbezoek, zoenen van meldster;

het als leidinggevende niet melden van zijn relatie met meldster, die een hiërarchisch ondergeschikte medewerkster van hem was;

het zichzelf in een chantabele positie brengen;

het hebben van seks en/of verrichten van seksuele handelingen met meldster in de woning van een aspirante die werkzaam was in het team van betrokkene en hiërarchisch in een ondergeschikte positie ten opzichte van hem stond.

Met een besluit van 20 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van betrokkene tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Volgens de rechtbank zijn gedragingen b, c, e en f terecht als (vaststaand) plichtsverzuim aangemerkt, maar geldt dat niet voor gedragingen a en d. Hiertoe is het volgende overwogen. De rechtbank volgt de korpschef niet in zijn standpunt dat betrokkene wist of had moeten weten dat hij een relatie was aangegaan met een ondergeschikte die kwetsbaar was. Dat betrokkene wist dat de arbeidsongeschiktheid van meldster van psychische aard was, maakt nog niet dat tevens sprake was een kwetsbare medewerkster. Hierbij is relevant geacht dat meldster al vanaf april 2019 volledig aan het werk was in [plaats 2] en rond 4 december 2019 nog slechts voor 1% arbeidsongeschikt werd aangemerkt enkel omdat zij geen noodhulpdiensten meer kon doen. In de stukken heeft de rechtbank geen medische informatie aangetroffen waarin de gestelde labiele situatie van meldster vóór de in dit geding relevante periode of tijdens die periode wordt bevestigd. De rechtbank heeft uit de stukken afgeleid dat de door betrokkene geleverde personeelszorg voornamelijk eruit bestond en ook hoofdzakelijk eruit hoefde te bestaan dat de definitieve overgang van meldster naar [naam team] formeel in goede banen werd geleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de korpschef betrokkene ten onrechte heeft verweten een seksuele relatie te zijn aangegaan met een ondergeschikte en kwetsbare medewerkster van wie betrokkene wist, althans had kunnen weten, dat zij psychische problemen had (gedraging a). De tweede verweten gedraging (b) hoeft geen bespreking. Betrokkene heeft erkend dat hij twee keer seks heeft gehad met meldster op een politiebureau dat op dat moment leeg was en dat dit plichtsverzuim is. De derde verweten gedraging (c) behelst het onder diensttijd, tijdens een werkbezoek, zoenen van meldster. Hier is sprake van plichtsverzuim. De vierde verweten gedraging (d), het als leidinggevende niet melden van zijn relatie met een hiërarchisch ondergeschikte, is volgens de rechtbank niet aan te merken als plichtsverzuim. Gelet op de start van de relatie eind 2019 en de formele plaatsing van meldster op 1 februari 2020 bij [naam team] , is de rechtbank van oordeel dat betrokkene vanwege het korte tijdsverloop niet kan worden verweten zijn relatie met meldster destijds niet te hebben gemeld. De vijfde aan betrokkene verweten gedraging (e), het zichzelf in een chantabele positie brengen, is terecht als plichtsverzuim aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene zich in een chantabele positie heeft gebracht doordat hij niet zelf het initiatief heeft genomen om de relatie bekend te maken bij zijn leidinggevende. Met name kan hem dat verwijt worden gemaakt omdat hij dat initiatief zelfs niet heeft genomen op het moment dat de inmiddels beëindigde maar nog wel vriendschappelijke relatie tussen hem en meldster wijzigde in een “vechtrelatie”. Met het alsnog melden van de relatie heeft hij gewacht tot een te laat moment. De zesde verweten gedraging (f) betreft het hebben van seks met meldster in de woning van een aspirante (een nicht van meldster) die werkzaam is in het team van betrokkene in een ondergeschikte positie. Meldster had de woning van haar nicht geregeld en betrokkene wist twee dagen voor de afspraak dat de woning van een aspirante was die werkzaam was in zijn team. Met deze wetenschap had betrokkene geen gevolg moeten geven aan de gemaakte afspraak. Door hier wel gevolg aan te geven heeft betrokkene zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De aan betrokkene verweten gedragingen kunnen hem worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag in dit geval onevenredig is aan het resterende plichtsverzuim. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat een belangrijk deel van de door de korpschef aan betrokkene verweten gedragingen (gedragingen a en d) niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat betrokken reeds sinds [datum] 1982 in dienst is bij de politie en hem niet eerder plichtsverzuim is aangerekend. Het is aan de korpschef om, met inachtneming van het voorgaande, een passende keuze te maken uit de andere mogelijkheden van bestraffing die artikel 77, eerste lid, van het Barp geeft. De korpschef heeft het subsidiair verleende ontslag gebaseerd op de stelling dat betrokkene niet over de juiste grondhouding beschikt en hij niet voldoet aan de eigenschappen, mentaliteit en instelling die vereist zijn voor een professionele en betrouwbare ambtenaar van de politie. De motivering van het ongeschiktheidsontslag zou opnieuw beoordeeld moeten worden, aangezien het meest ernstige verwijt aan betrokkene, gedraging a, geen stand houdt. Bovendien is geen sprake is van de uitzonderlijke situatie waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn. Omdat geen verbeterkans is geboden, is de korpschef niet bevoegd om betrokkene ontslag te verlenen vanwege functionele ongeschiktheid.

De standpunten van partijen

3. De korpschef is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens de korpschef zijn ook de verweten gedragingen a en d als plichtsverzuim aan te merken en rechtvaardigen alle verweten gedragingen het opgelegde onvoorwaardelijk strafontslag, alsmede het subsidiair verleende ongeschiktheidsontslag.

4. Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Hij is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de verweten gedragingen c, e, en f terecht zijn aangemerkt als plichtsverzuim.

Nieuwe beslissing op bezwaar

5. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef met een nader besluit op bezwaar van 6 december 2024 het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van 31 mei 2022 herroepen. Hierbij heeft de korpschef de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal opgelegd. Betrokkene zal vanaf de bekendmaking van het besluit worden uitbetaald naar schaal 10, trede 14, in plaats van naar schaal 12, trede 14. Gelijktijdig zijn aan betrokkene bijkomende maatregelen opgelegd. Betrokkene is ontheven uit zijn functie van [omschrijving] en teruggeplaatst in de functie van [functie 4] , omdat betrokkene de verantwoordelijkheden die passen bij de functie van [functie 1] niet aankan. Daarnaast heeft de korpschef het niet wenselijk geacht dat betrokkene werkzaam blijft bij het basisteam [gebied 1] , gezien de onrust die daar is ontstaan, zodat betrokkene geplaatst zal worden in een nader te bepalen team binnen de Eenheid [regio 1] . Tot slot heeft betrokkene de rang van inspecteur, behorend bij de functie van [functie 4] , gekregen in plaats van die van hoofdinspecteur. Deze degradatie in rang past volgens de korpschef ook bij de gedragingen die betrokkene worden verweten. Bovendien zijn rangonderscheidingstekens belangrijk in het dagelijks operationele werk en zou het verwarring geven als betrokkene als [functie 4] zijn rang als hoofdinspecteur zou mogen behouden.

Met toepassing van artikel 6:19 en 6:24 van de Awb is deze nieuwe beslissing in de lopende procedure betrokken.

Betrokkene is het niet eens met deze nieuwe beslissing. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt eerst of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het strafontslag heeft vernietigd, aan de hand van wat in hoger beroep en in incidenteel beroep is aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep en het incidenteel beroep niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Hoger beroep van de korpschef – verweten gedraging a en d

Met betrekking tot de verweten gedraging a stelt de Raad vast dat betrokkene niet zozeer wordt verweten dat hij een relatie is aangegaan met een ondergeschikte medewerkster, maar dat het een ondergeschikte medewerkster betrof die kwetsbaar was gezien haar psychische problematiek. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de korpschef betrokkene dit ten onrechte heeft verweten. Betrokkene kan weliswaar worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de psychische problematiek die ten grondslag lag aan de ziekmelding en de arbeidsongeschiktheid van meldster, maar dat betekent niet dat ten tijde van het aangaan van de relatie eind 2019 (nog) sprake was van een kwetsbare en labiele medewerkster. Hierbij wordt van belang geacht dat meldster vanaf april 2019 volledig aan het werk was, dat meldster vanaf 1 mei 2019 voor 99% hersteld gemeld was, en dat zij eind november 2019 volledig hersteld gemeld is. De korpschef heeft geen medische informatie of andere stukken overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat meldster ten tijde van het aangaan van de relatie kwetsbaar of labiel was. Ook acht de Raad van belang dat er binnen de politie ten tijde van belang geen regels of richtlijnen golden, waarin bijvoorbeeld was bepaald dat een relatie met een ondergeschikte en/of arbeidsongeschikte collega niet is toegestaan. Van een verwijtbare gedraging die aangemerkt kan worden als plichtsverzuim is op dit punt dan ook geen sprake.

Betrokkene is verder verweten dat hij als leidinggevende een relatie met een hiërarchisch ondergeschikte medewerkster niet heeft gemeld (gedraging d). Niet in geschil is dat betrokkene zijn relatie met meldster destijds bij aanvang van de relatie of gedurende de relatie niet gemeld heeft bij zijn leidinggevende. Ook is niet in geschil dat meldster, gedurende de korte periode van de relatie, een (formeel) ondergeschikte medewerkster van betrokkene was. De Raad is gelet op de concrete omstandigheden van het geval met de rechtbank van oordeel dat deze verweten gedraging geen plichtsverzuim oplevert. De rechtbank heeft terecht gewezen op de korte periode tussen de start van de relatie eind 2019 en de formele plaatsing van meldster bij het team [naam team] in [plaats 2] per 1 februari 2020. Hoewel betrokkene tot 1 februari 2020 formeel gezien nog de leidinggevende van meldster was, was meldster feitelijk al langere tijd (vanaf 1 april 2019) werkzaam bij het team [naam team] in [plaats 2] en had zij daar een functioneel leidinggevende die in dat team eindverantwoordelijk voor haar was en de personeelszorg over haar had. Betrokkene heeft zich als formeel leidinggevende alleen nog bezig gehouden met het formaliseren van de overgang van betrokkene naar het team [naam team] in [plaats 2] . Bovendien is de relatie pas ontstaan nadat meldster in november 2019 het voorgenomen herplaatsingsbesluit naar [naam team] had ontvangen en duidelijk was dat de feitelijke tewerkstelling bij het team [naam team] zou worden omgezet in een formele plaatsing. Ook hier acht de Raad verder van belang dat er geen regels of richtlijnen bij de politie waren met betrekking tot het melden van relaties met collega’s. De korpschef heeft niet onderbouwd waarom vanaf 1 februari 2020 sprake zou zijn van een meldingsplicht. In het licht van voormelde omstandigheden is de Raad van oordeel dat het niet melden van de relatie door betrokkene niet is aan te merken als plichtsverzuim.

Incidenteel hoger beroep betrokkene – verweten gedraging c, e, en f

De Raad stelt met betrekking tot gedraging b vast dat betrokkene de aangevallen uitspraak op dit punt niet heeft aangevochten. Betrokkene heeft erkend dat hij twee keer buiten diensttijd seks heeft gehad met meldster op een verlaten politiebureau en dat deze gedraging plichtsverzuim oplevert. De Raad gaat net als de rechtbank uit van een verwijtbare gedraging die aan te merken is als plichtsverzuim.

Ten aanzien van gedraging c staat eveneens vast dat betrokkene deze gedraging heeft begaan. Betrokkene heeft erkend dat hij op 4 december 2019 op werkbezoek is geweest op de werkplek van meldster in [plaats 2] en meldster voor het eerst gezoend heeft in de kelder, nadat meldster hem een rondleiding had gegeven. Betrokkene is het echter niet eens met het oordeel van de rechtbank dat deze gedraging kwalificeert als plichtsverzuim. Volgens betrokkene was de zoen kortstondig en met wederzijds goedvinden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van plichtsverzuim. Het zoenen van meldster op de werkvloer onder diensttijd is aan te merken als schending van een gedragsnorm en betrokkene had zich daarvan moeten onthouden. Dat het zoenen kortstondig en met wederzijds goedvinden was, maakt het voorgaande niet anders.

Met betrekking tot gedraging e – zichzelf in een chantabele positie brengen – stelt de Raad, gezien de onderbouwing in het ontslagbesluit, vast dat betrokkene wordt verweten zichzelf in een chantabele positie te hebben gebracht door het aangaan van een buitenechtelijke affaire, en door het niet eerder melden van de beëindigde relatie nadat de communicatie eind 2020/begin 2021 anders van toon werd en verslechterde. Niet in geschil is dat betrokkene, nadat meldster veelvuldig (boze) e-mails ging versturen naar het werkaccount van betrokkene en de situatie escaleerde, er pas in maart 2021 melding van heeft gemaakt dat meldster voornemens was hem kapot te maken door onder meer naar zijn echtgenote te gaan, omdat hij niet meer aan de eisen van meldster wilde voldoen. Betrokkene heeft door het aangaan van een buitenechtelijke affaire met meldster het risico genomen dat hij in zijn functie als leidinggevende in een chantabele positie zou komen te verkeren. Dit risico heeft zich in zoverre ook verwezenlijkt, dat betrokkene na het beëindigen van de relatie is geconfronteerd met de genoemde e-mails van meldster. Betrokkene heeft op dat moment niet aanstonds aan de bel getrokken bij de dienstleiding. Al met al heeft de korpschef betrokkene terecht tegengeworpen dat hij zichzelf in een chantabele positie heeft gebracht. Deze gedraging is terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

Met betrekking tot gedraging f staat vast dat betrokkene deze gedraging heeft begaan. Betrokkene heeft erkend dat hij een keer seks heeft gehad met meldster in de woning van een nicht van meldster, die tevens werkzaam was als aspirante in het team in [gebied 2] . Volgens betrokkene kan dit niet als plichtsverzuim worden aangemerkt. Volgens betrokkene had meldster de woning geregeld en wist betrokkene niet of meldster haar nicht op de hoogte had gesteld voor welke gelegenheid zij de ruimte nodig had. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Betrokkene wist dat de betreffende woning van de aspirante was. Hoewel aspirante enkel stage liep in het team in [gebied 2] en betrokkene niet haar formele leidinggevende was en zij ook geen direct contact met hem had, was zij wel werkzaam in hetzelfde team. Zij is door betrokkene in een zeer ongemakkelijke positie gebracht en betrokken in de buitenechtelijke affaire van meldster en betrokkene. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat betrokkene als [omschrijving] geen gevolg had moeten geven aan de gemaakte afspraak. Door hier wel gevolg aan te geven, heeft betrokkene zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

Strafontslag evenredig?

Uit het voorgaande volgt dat de gedragingen onder b, c, e, en f, plichtsverzuim opleveren. Niet in geschil is dat dit aan betrokkene is toe te rekenen. Dit betekent dat de korpschef in beginsel bevoegd was om betrokkene een disciplinaire straf op te leggen. Met betrokkene en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim. Gelet op wat hiervoor onder 6.1 en 6.2 is overwogen, kunnen de zwaarste aan betrokkene gemaakte verwijten niet worden gehandhaafd. Gezien de geringere ernst van de overgebleven verweten gedragingen is een onvoorwaardelijk ontslag in dit geval een te zware straf. Hierbij is van belang geacht dat betrokkene een lange staat van dienst heeft en dat betrokkene altijd goed heeft gefunctioneerd.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de disciplinaire straf van ontslag geen stand houdt. Hieruit volgt dat de Raad toekomt aan een bespreking van het op subsidiaire grondslag gegeven ongeschiktheidsontslag.

Ontslag vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid

De korpschef heeft het subsidiair verleende ontslag wegens ongeschiktheid doen berusten op de aan betrokkene verweten en als plichtsverzuim geduide gedragingen die aan het ontslagbesluit ten grondslag zijn gelegd.

Volgens vaste rechtspraak dient de ongeschiktheid voor de functie zich te uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Daarvoor is niet steeds vereist dat de functievervulling van de ambtenaar inhoudelijk niet naar behoren is. Ook indien houding en gedrag van de ambtenaar hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid worden gesproken. Het bestuursorgaan moet de ongeschiktheid voor het vervullen van de functie aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Verder is volgens vaste rechtspraak een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken, in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is volgens eveneens vaste rechtspraak anders in als uitzonderlijk aan te merken situaties waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.

Zoals hiervoor al overwogen, kan een belangrijk deel van de door de korpschef aan betrokkene gemaakte verwijten niet worden gehandhaafd. Betrokkene is ten aanzien van de resterende verweten gedragingen niet aangesproken op zijn gedrag of functioneren en evenmin in de gelegenheid gesteld om dit te verbeteren. Het standpunt van de korpschef dat betrokkene een ‘gewaarschuwd’ man was vanwege een incident met een andere medewerkster op de werkvloer, wordt niet gevolgd. De korpschef doelt hier op een situatie uit 2012, waarbij betrokkene een medewerkster had gezoend. Niet gebleken is dat betrokkene destijds een waarschuwing hiervoor heeft gehad. Bovendien heeft de betrokken medewerkster verklaard dat destijds sprake was van een onschuldige kus en is hier sprake van een aanzienlijk tijdsverloop. De Raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet gesproken kan worden van een uitzonderlijke situatie waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn. Omdat geen verbeterkans is geboden aan betrokkene, was de korpschef niet bevoegd om betrokkene ontslag te verlenen vanwege ongeschiktheid.

Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, omdat zowel de straf van onvoorwaardelijk ontslag als het subsidiair verleende ontslag wegens ongeschiktheid geen stand houdt. De korpschef heeft in opdracht van de rechtbank en ter uitvoering van de aangevallen uitspaak opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene. Met toepassing van artikel 6:19 Awb is van rechtswege een beroep aanhangig tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de Raad toekomt aan de beoordeling van de gronden gericht tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 6 december 2024.

Nieuwe beslissing op bezwaar

De korpschef heeft met het besluit van 6 december 2024 het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard, het ontslagbesluit herroepen en betrokkene een andere straf opgelegd met bijkomende maatregelen. Betrokkene is het niet eens met de opgelegde straf en maatregelen. Ook heeft betrokkene aangevoerd dat in het bezwaarschrift is verzocht om vergoeding van bezwaarkosten, maar de korpschef heeft in de nieuwe beslissing op bezwaar nagelaten om hem een vergoeding toe te kennen voor de in bezwaar gemaakte kosten.

De aangevoerde grond tegen het ontbreken van een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten slaagt. Aangezien met de nieuwe beslissing het bezwaar gegrond is verklaard en het ontslagbesluit is herroepen, komt betrokkene op grond van artikel 7:15 Awb voor een vergoeding van de bezwaarkosten in aanmerking.

Straf van plaatsing in een lagere salarisschaal

De korpschef heeft betrokkene bij wijze van straf voor onbepaalde tijd geplaatst in een lagere salarisschaal, namelijk in schaal 10, trede 14, in plaats van in schaal 12, trede 14. Betrokkene heeft ten eerste aangevoerd dat een dergelijke straf onrechtmatig is en buiten de reikwijdte van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i van het Barp valt. Hierbij heeft betrokkene zich beroepen op artikel 47, eerste lid, aanhef en onder k van de Politiewet 2012. Betrokkene maakt uit deze bepaling op dat (ook) bij een straf van plaatsing in een lagere salarisschaal de schade niet hoger mag zijn dan het salaris over anderhalve maand. Dit standpunt slaagt niet.

In artikel 77 van het Barp is bepaald welke straffen kunnen worden opgelegd aan de ambtenaar die zich schuldig maakt aan plichtsverzuim. Dit artikel vindt zijn grondslag in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder k, van de Politiewet 2012, waarin is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de politie regels worden vastgesteld over disciplinaire straffen. Aan deze wettelijke bepaling is toegevoegd ‘met dien verstande dat een boete dan wel een inhouding of korting op de bezoldiging per opgelegde disciplinaire straf ten hoogste gelijk is aan het bedrag van het salaris van de ambtenaar over anderhalve maand’. Artikel 47, eerste lid, aanhef en onder k, van de Politiewet 2012 geeft bij de vaststelling van regels over disciplinaire straffen dus alleen een begrenzing aan ten aanzien van de straf van een geldboete en de straf van een inhouding van salaris. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voormelde begrenzing ook zou gelden voor de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal. Anders dan betrokkene heeft betoogd, is de opgelegde straf dan ook niet in strijd met artikel 47, eerste lid, aanhef en onder k, van de Politiewet en valt de opgelegde straf ook niet buiten de reikwijdte van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp. Ook het standpunt van betrokkene dat uit de formulering van artikel 77 van het Barp blijkt dat een disciplinaire sanctie in principe in tijd of zwaarte wordt beperkt, kan niet worden gevolgd.

Betrokkene heeft verder aangevoerd dat de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal (van schaal 12 naar schaal 10) voor onbepaalde tijd onevenredig en buitensporig is. Hoewel sprake is van een forse straf is de Raad gelet op het vastgestelde en resterende plichtsverzuim van oordeel dat deze straf niet onevenredig is. Hierbij is van belang geacht dat aan een politieambtenaar hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid mogen worden gesteld. Van een politieambtenaar, die een leidinggevende rol heeft, mag nog meer worden verwacht dat hij zich van gedragingen en uitlatingen zoals die hier aan de orde zijn, onthoudt.

Overplaatsing in andere functie

Ingevolge artikel 64 van het Barp is, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, een verplichte functiewissel mogelijk voor onbeperkte duur.

Met toepassing van artikel 64 van het Barp heeft de korpschef betrokkene in het belang van de dienst ontheven uit zijn functie en overgeplaatst in de (lagere) functie van [functie 4] (functieschaal 10) voor onbepaalde tijd. De plaatsing in deze lagere functie is een bijkomende maatregel die de korpschef in het belang van de dienst nodig acht, omdat betrokkene, gezien de vastgestelde verweten gedragingen, niet geschikt geacht wordt voor het uitvoeren van een functie als leidinggevende. Volgens de korpschef heeft betrokkene geen inzicht getoond in de onjuistheid van zijn handelen en heeft hij laten zien dat hij de verantwoordelijkheden van een leidinggevende functie niet aankan.

Met de korpschef is de Raad van oordeel dat gelet op de gedragingen die ten grondslag zijn gelegd aan het verweten plichtsverzuim en het onvoldoende inzicht tonen ten tijde van deze gedragingen dat hij anders moet handelen, de conclusie is gerechtvaardigd dat het betrokkene ontbreekt aan belangrijke eigenschappen en mentaliteit voor de vervulling van zijn functie van [omschrijving] en hij dus ongeschikt is voor een leidinggevende functie. Dit betekent dat de korpschef bevoegd was om betrokkene te plaatsen in een lagere functie. De door betrokkene aangevoerde gronden tegen de overplaatsing treffen geen doel.

Verlaging van rang

De korpschef heeft de rang van betrokkene als bijkomende maatregel aangepast van hoofdinspecteur naar inspecteur. Dit hangt samen met de overplaatsing in de lagere functie van [functie 4] , waaraan deze lagere rang is verbonden.

Met betrokkene is de Raad van oordeel dat er geen wettelijke grondslag is voor verlaging van de rang. In artikel 3a, aanhef en onder a, van het Besluit rangen politie is bepaald dat wanneer een ambtenaar met toepassing van artikel 64 van het Barp wordt verplaatst naar een functie waaraan een lagere rang is verbonden, hij zijn rang behoudt zoals die gold direct voorafgaand aan het besluit tot verplaatsing. Betrokkene had voor de verplaatsing de rang van hoofdinspecteur en heeft gelet op het voorgaande deze rang ook na de verplaatsing behouden. Dit leidt tot de conclusie dat de korpschef betrokkene ten onrechte in rang heeft gedegradeerd.

Conclusie en gevolgen

Uit wat hiervoor in 6.1 tot en met 6.12 is overwogen, volgt dat het hoger beroep en het incidenteel beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vernietiging van het bestreden besluit in stand blijft.

Uit 6.13 tot en met 6.22 volgt dat het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 6 december 2024 alleen slaagt wat betreft de rangverlaging en het niet vergoeden van de bezwaarkosten. De Raad zal het beroep in zoverre gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen ten aanzien van de rangverlaging en voor zover daarbij geen vergoeding voor bezwaarkosten is toegekend. Voor het overige is het besluit in stand gelaten. Dit betekent dat de opgelegde lagere straf en de bijkomende maatregel van overplaatsing in een andere functie in stand blijven.

7. De Raad zal de korpschef, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15 van de Awb, veroordelen in de door betrokkene in bezwaar gemaakte kosten. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.332,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-). Er is ook aanleiding de korpschef te veroordelen in de proceskosten die betrokkene heeft moeten maken voor de procedure in beroep van rechtswege tegen het besluit 6 december 2024. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.401,- voor verleende rechtsbijstand (0,5 punt voor de schriftelijke reactie en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,-).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot als voorzitter en B. Serno en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

(getekend) G.C. Boot

(getekend) A.A. Verweij

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 64, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp):

1. Indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, is de ambtenaar verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

Artikel 77, eerste lid, van het Barp:

1. Aan de ambtenaar, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar, kunnen de volgende straffen worden opgelegd:

a. schriftelijke berisping;

b. buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen en vrije dagen zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag;

c. vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met ten hoogste een vierde gedeelte van het aantal uren, bedoeld in artikel 17, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;

d. geldboete van ten hoogste € 22;

e. gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;

f. vermindering van het salarisnummer met ten hoogste twee jaren, voor de tijd van niet langer dan twee jaren;

g. het niet meetellen van een verdere diensttijd van ten hoogste vier jaren voor de vaststelling van het salarisnummer;

h. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging;

i. plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt; of

j. ontslag.

Artikel 47, eerste lid, aanhef en onder k, van de Politiewet 2012:

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de politie voorschriften vastgesteld betreffende:

(…)

k. disciplinaire straffen, met dien verstande dat een boete dan wel een inhouding of korting op de bezoldiging per opgelegde disciplinaire straf ten hoogste gelijk is aan het bedrag van het salaris van de ambtenaar over anderhalve maand;

Artikel 3a, aanhef en onder a, van het Besluit rangen politie

In afwijking van artikel 2, eerste lid, behoudt de ambtenaar:

a. de rang zoals die gold direct voorafgaand aan het besluit tot verplaatsing op grond van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie, waarbij hij wordt verplaatst naar een functie waaraan een lagere rang is verbonden;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand