SAMENVATTING
24/2505 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 september 2024, 24/1002 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (college)
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Het gaat in deze zaak over beëindiging van bijstand omdat appellant niet aan het college had doorgegeven dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden had verricht. Appellant voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en voert verder aan dat hij zijn werkzaamheden niet hoefde te melden, omdat sprake was van hobbymatige activiteiten waarvoor hij geen inkomsten heeft genoten. Deze gronden slagen niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. O.E. Usma hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Op 21 mei 2026 heeft mr. M.I. Bal, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juni 2026. Voor appellant is mr. Bal verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Bozkurt.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontvangt sinds 8 april 2019 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van een melding van de voormalig klantmanager van appellant bij de gemeente dat appellant zich op social media presenteert als ‘ [functie] ’ en hij in verband daarmee mogelijk werkzaamheden verricht, is het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In dat kader hebben twee toezichthouders onder meer onderzoek gedaan op internet, het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) geraadpleegd, bij appellant informatie opgevraagd en met appellant op 5 en 21 juni 2023 gesprekken gevoerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 september 2023. Uit dit rapport volgt onder meer dat appellant zeven accounts heeft op verschillende social media en hij zich daarop presenteert als [functie] . Zo heeft appellant op Instagram ruim 43.000 volgers en daar plaatst hij regelmatig foto’s en video’s van zijn [producten] . Op zijn social media-accounts staan verder berichten over exposities die appellant heeft gehouden, al dan niet in samenwerking met bedrijven in de [branche] . Appellant heeft in verschillende berichten te kennen gegeven open te staan voor nieuwe samenwerkingen. In het handelsregister van de KvK is op [datum] 2022 een onderneming ingeschreven met als handelsnaam de [naambeschrijving] . Bij de inschrijving is een aantal activiteiten geregistreerd, waaronder [branche] , marketing en het organiseren van [branche] evenementen. De vriend van appellant staat in het handelsregister als eigenaar van deze onderneming geregistreerd. Tijdens de gesprekken op 5 en 21 juni 2023 heeft appellant erkend dat hij [producten] maakt, hij daarvoor samenwerkt met verschillende bedrijven, hij van die bedrijven [materialen] ontvangt en hij met de door hem gemaakte [producten] reclame maakt voor die bedrijven. Verder heeft appellant verklaard dat hij als enige Nederlander ambassadeur is van een grote [producent] . Appellant heeft ook verklaard dat hij geen geld heeft ontvangen voor zijn activiteiten, maar hij wel verwacht met een jaar over voldoende inkomsten te beschikken.
Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het college met een besluit van 23 juni 2023, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant met ingang van die datum beëindigd. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat appellant geen duidelijkheid heeft gegeven over de duur en de omvang van zijn werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 8 januari 2024 (bestreden besluit) bij de beëindiging gebleven. Aan het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar de bevindingen van het rechtmatigheidsonderzoek, het volgende ten grondslag gelegd. Het maken van [producten] is, gelet op het doel waarmee appellant dat deed, een omstandigheid die van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Met de promotieactiviteiten die appellant heeft verricht investeerde hij in de waarde van zijn social media-accounts door uitbreiding van zijn klantenbestand en was hij op zoek naar samenwerking met bedrijven. Een voorbeeld hiervan is de volgende reactie van appellant op een post op LinkedIn : [reactie] . Al deze activiteiten moeten in het geval van appellant worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden, waarvoor in het maatschappelijk verkeer een tegenprestatie kan worden bedongen. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door hiervan geen melding te maken bij het college. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet vastgesteld worden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over beëindiging van de bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De datum waarop de bijstand van appellant is beëindigd is gelijk aan de datum van het beëindigingsbesluit. Daarom moet worden beoordeeld of op de datum van beëindiging (23 juni 2023) nog aan de voorwaarden voor het recht op bijstand is voldaan.
Wat appellant heeft aangevoerd komt in de eerste plaats neer op het volgende. In het besluit van 23 juni 2023 heeft het college niet gemotiveerd welke verplichting appellant niet is nagekomen. Pas in het rapport van 18 september 2023 is geconcludeerd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, maar dat rapport is pas na het besluit van 23 juni 2023 afgerond. Dat besluit is dus genomen zonder dat is vastgesteld dat appellant een verplichting heeft geschonden. Dit geeft blijk van een onzorgvuldig en bevooroordeeld onderzoek. Het college heeft in het bestreden besluit ook niet vermeld dat hij de motivering heeft aangevuld. Voor zover appellant hiermee heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig en bevoordeeld is voorbereid, slaagt deze beroepsgrond niet.
Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, dient op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht in bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats te vinden, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden zoals die bekend zijn op het moment van heroverweging betrokken worden. In dat kader kan de motivering van het besluit worden aangevuld of gewijzigd. Dat is ook wat het college in dit geval heeft gedaan. Uit het door het college in het bestreden besluit overgenomen advies van de bezwaarschriftencommissie blijkt duidelijk dat en in welk opzicht zowel de feitelijke als de juridische grondslag van het besluit van 23 juni 2023 is aangevuld. Het college hoefde in het bestreden besluit daarom niet expliciet te vermelden dat de motivering was aangevuld. De stelling dat sprake was van een onzorgvuldig en bevooroordeeld onderzoek heeft appellant niet onderbouwd, zodat de Raad daaraan voorbijgaat.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 23 juni 2023 op geld waardeerbare activiteiten verrichtte en ook niet dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college.
Appellant heeft aangevoerd dat hij niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij stelt dat hij bij aanvang van de bijstand heeft gemeld dat hij in zijn land van herkomst als [functie] heeft gewerkt en uit het dossier kan worden afgeleid dat hij in oktober 2021 heeft gemeld dat hij activiteiten verrichtte in de [branche] . Het ging om hobbymatige activiteiten waarvoor hij geen inkomsten heeft ontvangen. Het college heeft appellant er in het toekenningsbesluit ook niet op gewezen dat hij dit soort activiteiten moest melden. Hem kon dan ook redelijkerwijs niet duidelijk zijn dat hij hiervan melding moest maken bij het college. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Uit de onder 1.2 weergeven onderzoeksbevindingen kan worden afgeleid dat de op geld waardeerbare activiteiten van appellant van een zodanige aard en omvang waren dat het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn en hij daarvan dus melding moest maken bij het college. Dat appellant voor zijn activiteiten geen inkomsten heeft ontvangen maakt dit niet anders.
De omstandigheid dat appellant bij aanvang van de bijstand heeft doorgegeven dat hij in zijn land van herkomst heeft gewerkt als [functie] betekent niet dat het college ervan op de hoogte was dat appellant dat ook in Nederland zou gaan doen. Uit de notitie van oktober 2021 waar appellant op heeft gewezen kan evenmin worden afgeleid dat appellant melding heeft gemaakt van zijn activiteiten. Daarin staat namelijk alleen dat appellant tijdens een gesprek over zijn arbeidsmogelijkheden heeft aangegeven dat hij het liefst als [functie] wil werken, hij connecties heeft in de [branche] en hoopt via hen een baan te vinden.
De inlichtingenverplichting is een open norm. Dat betekent dat van het college niet kan worden verwacht dat het in het besluit tot toekenning van bijstand alle concrete situaties benoemt waarmee een bijstandsgerechtigde te maken kan krijgen en die deze moet melden. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. Als hierover bij appellant onduidelijkheid bestond, dan had hij navraag kunnen doen bij het college.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat beëindiging van de bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) W.B. Eefting