ECLI:NL:CRVB:2026:980

ECLI:NL:CRVB:2026:980

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 28-07-2026
Zaaknummer 24/181 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Bijschrijvingen op bankrekening. Gokaccounts. Paypal-rekening. Recht niet schattenderwijs vaststellen. Geen dringende redenen. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. Zo heeft appellant o.m. niet aan de hand van verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om vóór 13 februari 2023 gegevens over zijn gokaccounts te verkrijgen. Ook heeft appellant niet onderbouwd waarom hij geen afschriften van zijn PayPal-rekening over kon leggen.

Uitspraak

SAMENVATTING

24/181 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

12 december 2023, 23/1097 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

Datum uitspraak: 28 juli 2026

Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van bijschrijvingen op zijn bankrekening, de aanwezigheid van meerdere online gokaccounts en het beschikken over een PayPalrekening. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellant is het daar niet mee eens. Hij heeft aangevoerd dat de datum van de intrekking arbitrair is, het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld, zo nodig schattenderwijs, de inkomsten uit online gokken op eenzelfde wijze kunnen vastgesteld als bij gokken in een gokinstelling en dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Appellant krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.F. Briedé, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Briedé. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.E. Nieboer .

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant ontving sinds 21 juni 2022 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Hij woonde sinds 4 juli 2022 in een 24-uursopvang van Humanitas . Op 10 mei 2023 moest appellant deze opvang verlaten.

De bewindvoerder van appellant heeft aan het college bankafschriften van appellant verstrekt over de periode van 17 augustus 2022 tot en met 17 november 2022. Omdat daarop een groot aantal bijschrijvingen van derden, betalingen- en bijschrijvingen in verband met online gokactiviteiten en afschrijvingen naar een voor het college niet bekende PayPalrekening zichtbaar waren, is het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft het college appellant met een brief van 30 november 2022 verzocht om onder meer de volgende gegevens te verstrekken: per bijschrijving waarvoor het geld was overgemaakt, overzichten van alle (zes) gokaccounts waarvan appellant gebruikmaakt en een overzicht van zijn PayPalrekening (gevraagde gegevens). Appellant heeft daarop niet gereageerd. Met een brief van 7 december 2022 heeft het college appellant nogmaals verzocht om de gevraagde gegevens te verstrekken. Ook op deze brief heeft appellant niet gereageerd.

Met een besluit van 19 december 2022 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 16 augustus 2022 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 16 augustus 2022 tot en met 31 oktober 2022 tot een bedrag van € 3.887,14 van appellant teruggevorderd. Met een besluit van 30 maart 2023 (bestreden besluit) is het college bij de intrekking en terugvordering gebleven. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet op de hoogte te stellen van diverse bijschrijvingen op zijn bankrekening, de aanwezigheid van meerdere gokaccounts en het feit dat hij beschikt over een PayPal-rekening. Appellant is in de gelegenheid gesteld om hierover duidelijkheid te geven. Omdat appellant de gevraagde gegevens en inlichtingen niet heeft verstrekt, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken. Daarbij heeft het college van belang geacht dat de beëindiging van het verblijf van appellant bij Humanitas niet het gevolg is van de terugvordering maar van de intrekking, appellant voor zover bekend geen minnelijk of wettelijk traject tot schuldsanering doorloopt en hij bij de invordering van de terugvordering de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet.

Op een daartoe strekkende aanvraag heeft het college met een besluit van 3 juli 2023 opnieuw bijstand toegekend aan appellant vanaf 22 maart 2023.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Intrekking

Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 16 augustus 2022, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 19 december 2022, de datum van het intrekkingsbesluit (te beoordelen periode).

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, appellant gedurende de te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Appellant heeft aangevoerd dat onduidelijk is waarom het college de bijstand met terugwerkende kracht tot 16 augustus 2022 heeft ingetrokken. De ingangsdatum lijkt arbitrair te zijn gekozen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

In zijn verweerschrift heeft het college erop gewezen dat de bijstand met ingang van 16 augustus 2022 is ingetrokken omdat op die datum de eerste bijschrijving zichtbaar is op de door de bewindvoerder verstrekte bankafschriften. Van een arbitrair gekozen datum is dus geen sprake.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Op basis van de door appellant in hoger beroep naar voren gebrachte gronden en de hierover ter zitting gegeven toelichting begrijpt de Raad deze beroepsgrond zo dat appellant meent dat het college in het bestreden besluit niet duidelijk heeft gemotiveerd waarom appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

In het bestreden besluit heeft het college duidelijk verwoord dat en in welk opzicht appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, namelijk door het college niet op de hoogte te stellen van diverse bijschrijvingen op zijn bankrekening, de aanwezigheid van meerdere gokaccounts en het feit dat hij beschikt over een PayPal-rekening.

Wat appellant verder heeft aangevoerd komt erop neer dat op basis van de beschikbare gegevens het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld, zo nodig schattenderwijs. Ter onderbouwing heeft appellant gewezen op het volgende. In het dossier bevinden zich grote aantallen (bank)afschriften van verschillende bankrekeningen over de periode vanaf augustus 2022. Uit de stortingen en opnames in verband met gokactiviteiten op de bankafschriften blijkt niet dat appellant op enig moment ook maar enig batig saldo had. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hij heeft geprobeerd toegang te krijgen tot zijn online gokaccounts en heeft aangeleverd wat hij kon. Daarbij verwijst hij naar het door hem in beroep overgelegde overzicht van één van zijn gokaccounts. Uit zelfbescherming heeft hij zich bij het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (CRUKS) laten registreren, waardoor zijn accounts niet meer toegankelijk waren. Dat neemt niet weg dat er voldoende duidelijkheid bestaat over de bedragen die hij heeft besteed aan en verkregen uit online gokken. De inkomsten uit gokactiviteiten kunnen worden vastgesteld op basis van de in de uitspraken van de Raad van 4 april 2023 neergelegde vuistregel dat, bij gebrek aan een administratie, de opbrengst even hoog is als de inleg. Het is namelijk niet aannemelijk dat bij online gokken sprake is van een hogere winstkans dan in een regulier casino. Appellant heeft er ten slotte nog op gewezen dat aan hem met ingang van 22 maart 2023 weer bijstand is toegekend, terwijl toen ook nog een groot deel van de in de brieven van 30 november 2022 en 7 december 2022 gevraagde gegevens ontbrak. Het is willekeurig om het ontbreken van gegevens in dat kader niet tegen te werpen en wel in het kader van de hier voorliggende intrekking. Deze beroepsgronden slagen niet.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Daarin is appellant niet geslaagd, alleen al omdat hij de in de brieven van 30 november 2022 en 7 december 2022 gevraagde gegevens niet heeft verstrekt. De stellingen dat, kort gezegd, appellant in bewijsnood verkeerde, de gokinkomsten op basis van de inleg kunnen worden vastgesteld en het college willekeurig heeft gehandeld door bij de aanvraag het ontbreken van gegevens niet tegen te werpen en bij de intrekking wel, leiden niet tot een ander oordeel. Dat wordt hierna toegelicht.

De stelling van appellant dat hij in bewijsnood verkeerde door de inschrijving in het CRUKS kan hem niet baten. Hij heeft zich namelijk daar pas op 13 februari 2023, dus na de te beoordelen periode, ingeschreven. Appellant heeft niet aan de hand van verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om vóór 13 februari 2023 gegevens over zijn gokaccounts te verkrijgen, bijvoorbeeld door (een) verzoek(en) om inlichtingen bij de beheerder(s) van zijn accounts. Dat het voor hem wel mogelijk was om dergelijke gegevens te verkrijgen blijkt uit het door appellant in beroep overgelegde overzicht van activiteiten van zijn account op, zoals hij stelt, Unibet. Voor zover appellant stelt dat hij niet aan overzichten van zijn andere gokaccounts kon komen, heeft hij dat niet onderbouwd. Appellant heeft verder in het geheel niet onderbouwd waarom hij geen afschriften van zijn PayPal-rekening over kon leggen en waarom hij geen toelichting kon geven over de op zijn bankafschriften zichtbare bijschrijvingen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het zonder deze gegevens niet mogelijk is om het recht op bijstand vast te stellen, ook niet schattenderwijs.

De uitspraken van 4 april 2023 waarnaar appellant verwijst gaan over gokken in een gokinstelling. De Raad heeft in die uitspraken tot uitdrukking gebracht dat het bij gokken in een gokinstelling nagenoeg onmogelijk is om aannemelijk te maken welke bedragen met het verrichten van gokactiviteiten zijn ontvangen en dat het ook niet mogelijk is om een schatting van die bedragen te maken. Hierbij heeft de Raad overwogen dat wel aan de hand van pinopnames in een gokinstelling de verrichte gokactiviteiten en de daarmee verkregen bedragen aannemelijk kunnen worden gemaakt, omdat bij gokactiviteiten in een gokinstelling kan worden uitgegaan van de vooronderstelling dat de inkomsten daaruit – ongeacht welk gokspel is gespeeld – gelijk zijn aan de ingelegde bedragen.

Anders dan bij een bezoek aan een gokinstelling is het bij onlinegokken in beginsel wél mogelijk om met een verifieerbare administratie of boekhouding te komen waarin is opgenomen welke bedragen bij welk gokspel zijn ingezet, welk bedrag per speelbeurt is gewonnen en of, en zo ja in hoeverre, bij welk gokspel de ontvangen bedragen eventueel weer opnieuw zijn ingezet. Bij online gokken worden namelijk al deze gebeurtenissen geregistreerd in het gokaccount van de betrokkene. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken tot uitdrukking gebracht. Ook in het geval van appellant kan ervan worden uitgegaan dat hij via zijn gokaccount(s) het hiervoor bedoelde overzicht van gokactiviteiten had kunnen verstrekken. Zoals in 4.5.3 al tot uitdrukking is gebracht, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om naast het door hem overgelegde overzicht ook overzichten van zijn andere gokaccounts over te leggen.

De omstandigheid dat het college in het kader van een nieuwe aanvraag om algemene bijstand een andere beoordeling heeft gemaakt, maakt niet dat het college gehouden is om dezelfde beoordeling te maken in het kader van de intrekking en terugvordering die in deze zaak voorligt. Bovendien heeft de gemachtigde van het college ter zitting toegelicht dat deze aanvraag op verzoek van appellant met spoed is beoordeeld, dat hem toen het voordeel van de twijfel is gegeven, dat uit zijn bankafschriften – anders dan in de hier te beoordelen periode – niet bleek van een groot aantal bijschrijvingen en dat appellant toen nog maar één online gokaccount had.

Terugvordering

Appellant heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat zijn verblijf bij Humanitas is beëindigd, dat hij als gevolg van een gokverslaving een kwetsbare geestelijke gezondheid had en hij aanzienlijke schulden heeft. Appellant heeft er verder op gewezen dat hij dit in bezwaar ook naar voren heeft gebracht en dat het college dit in het bestreden besluit niet bij de belangenafweging heeft betrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Anders dan appellant stelt volgt uit het bestreden besluit, zoals weergegeven onder 1.3, dat het college wel een belangenafweging heeft gemaakt en daarbij alle door appellant in bezwaar naar voren gebrachte argumenten heeft meegewogen.

Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.

Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.

Op grond van wat appellant heeft aangevoerd heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aan te nemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit tot terugvordering getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Allereerst is hierbij van belang dat de terugvordering niet is ontstaan of opgelopen door toedoen van het college, maar door de schendingen van de inlichtingenverplichting door appellant. Verder heeft het college er verder terecht op gewezen dat de beëindiging van het verblijf van appellant bij Humanitas niet het gevolg is van de terugvordering. Dat geldt ook voor de door appellant gestelde kwetsbare geestelijke gezondheid als gevolg van een gokverslaving. Wat de gestelde zware schuldenlast betreft heeft het college er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat de terugvordering een minnelijk of wettelijk traject tot schuldsanering heeft doorkruist. Bovendien wordt appellant bij de invordering van het teruggevorderde bedrag beschermd door de beslagvrije voet.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand in stand blijven.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) W.B. Eefting

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.

Artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2026/151
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand