22. 2433 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2022, 22/1750 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Zitting heeft: E.C.E. Marechal
Griffier: S. Ploum
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 januari 2026. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Breure.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Met besluiten van 3 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 maart 2022 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2021 herzien naar de kostendelersnorm op basis van een tweepersoonshuishouden en de over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 januari 2022 verleende bijstand tot een bedrag van € 1.174,66 van haar teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de oudste zoon van appellante een kostendelende medebewoner is, omdat hij op 1 oktober 2021 is gestopt met studeren en op dat moment ook ouder was dan 21 jaar.
2. Appellante voert in hoger beroep ten eerste aan dat het college het beleid – wat het per 1 juli 2022 hanteert in verband met de menselijke maat – ook over de hier van belang zijnde periode had moeten toepassen. Deze grond slaagt niet. Het beleid waarop appellante doelt, houdt in dat het college alvast met ingang van 1 juli 2022 bij toepassing van de kostendelersnorm de leeftijdsgrens van 21 jaar naar 27 jaar verhoogt. Hiermee heeft het college geanticipeerd op de wetswijziging van artikel 19a, eerste lid, van de Participatiewet (PW) van 1 januari 2023. Dit beleid is tegenwettelijk begunstigend. Dit betekent dat de Raad het beleid als gegeven aanvaardt en dat wordt getoetst of het beleid in het concrete geval juist is toegepast. Dat is hier het geval.
3. De tweede beroepsgrond van appellante slaagt evenmin. Die beroepsgrond komt erop neer dat het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de bijstand van appellante had moeten verhogen. Voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van, in dit geval, een verhoging van de bijstand is alleen plaats in zeer bijzondere situaties. Dit is vaste rechtspraak. Het is aan degene die deze afstemming wenst om aannemelijk te maken dat er een zeer bijzondere situatie is, zoals hiervoor bedoeld. Hier is appellante niet in geslaagd met de enkele stelling dat zij een inkomen had onder de bijstandsnorm en haar zoon geen inkomen had en zodoende niet kon bijdragen in de kosten van levensonderhoud. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd dat toepassing van de kostendelersnorm voor haar tot een financieel schrijnende situatie heeft geleid.
4. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) E.C.E. Marechal