[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] , Servië, op [geboortedag] 1962, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
De omvang van het hoger beroep
Het namens verdachte door ziJn raadsman ingestelde hoger beroep is, blijkens de mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak onder parketnummer 23.000.489.89 (13.005.693.89).
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 april 1992 en in hoger beroep van 19 maart 1993.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal en van hetgeen door de raadsman van verdachte naar voren is gebracht.
De telastelegging
Aan de verdachte is telastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen. Van de dagvaardingen zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.
Tengevolge van een kennelijke schrijffout staat in de tweede regel van het onder parketnummer 13.61.899.lA telastegelegde vermeld: "Clock" in plaats van: "Glock".
Het hof herstelt deze schrijffout. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.
Bespreking van verweren
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat zich geen feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die ten aanzien van verdachte een redelijke verdenking van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] konden opleveren en dat hij derhalve ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Het hierna gevolgde binnentreden in de woning van verdachte op grond van een bijzon-dere schriftelijke last en de aanhouding van verdachte zijn daarom onrechtmatig geschied.
Daaraan heeft de raadsman met betrekking tot het onder parket-nummer 13.61.899.lA telastegelegde feit de conclusie verbonden dat de inbeslaggenomen wapens als vruchten van het onrechtmatig binnentreden van het bewijs dienen te worden uitgesloten. (a)
De raadsman heeft voorts - eveneens met betrekking tot het onder parketnummer 13.61.899.lA telastegelegde feit - aangevoerd dat de rechter-commissaris tijdens de door haar gedane huiszoeking ter inbeslagneming niet voortdurend aanwezig, dan wel bereikbaar, is geweest. Immers heeft zij voor de duur van de huiszoeking tele-foonverkeer verboden en heeft zij kort na de aanvang van de huis-zoeking het pand verlaten in verband met dringende ambtsbezighe-den elders. Weliswaar heeft zij medegedeeld dat zij per telefoon bereikbaar bleef, doch er bleek geen telefonisch contact mogelijk vanuit het pand waar zij verbleef, waarna de rechter-commissaris is teruggekeerd. Ook op deze grond dienen de inbeslaggenomen wapens - aldus de raadsman - van het bewijs te worden uitgeslo-ten. (b)
Het hof verwerpt voormelde verweren en overweegt daartoe het volgende:
ad a)
In verband met een onderzoek naar de onnatuurlijke dood van [slachtoffer] , wiens stoffelijk overschot in de ochtend van 3 oktober 1991 in Diemen werd aangetroffen, kwam uit diverse CID bronnen informatie binnen, dat een Joegoslaaf, genaamd [verdachte] geboren op 25 oktober 1962, zijnde de "baas" van een groep Joegoslaven, op zoek was naar [slachtoffer] , omdat laatstgenoemde enige tijd geleden een partij harddrugs had laten verdwijnen ten nadele
van deze groep. Voorts zou [verdachte] , eveneens blijkens voormelde informatie, op 1 oktober 1991 omstreeks 13.30 uur door een andere Joegoslaaf, genaamd [naam 1] , geboren op 28 augustus 1951, in kennis gesteld zijn van het feit dat [slachtoffer] om 14.00 uur die dag voor een afspraak naar de shoarmazaak [naam 2] aan het Europa-plein te Amsterdam zou komen.
Voormelde informatie kon ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld doen ontstaan aan (medeplichtigheid aan) de moord dan wel doodslag op [slachtoffer] zodat op goede gronden tot de aanhouding van verdachte is besloten. Het binnentreden ter aanhouding door het arrestatieteam, voorzien van een daartoe verstrekte bijzondere schriftelijke last, was dan ook niet onrechtmatig. Dat met betrekking tot vorenbedoelde strafzaak geen veroordeling van verdachte is gevolgd, doet daaraan niet af.
ad b)
Uit het proces-verbaal van huiszoeking van de rechter-commissa-ris, d.d. 22 november 1991, blijkt dat de huiszoeking te 06.15 uur in het bijzijn van de rechter-commissaris is aangevangen, dat zij vervolgens, na mededeling dat zij per telefoon bereikbaar bleef, in verband met dringende ambtsbezigheden elders het pand te 06.20 uur heeft verlaten en te 07.05 uur is teruggekeerd, nadat zij had geconstateerd dat vanuit de lokatie waar zij ver-bleef, geen telefonisch contact mogelijk bleek. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris dat de huis-zoeking te 08.20 uur is beëindigd en dat het inbeslaggenomene aan opsporingsambtenaren ter hand is gesteld. Het hof is van oordeel dat, gegeven deze omstandigheden, het inbeslaggenomene onder toezicht en leiding van de rechter-commissaris is vergaard.
De bewijslevering
Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder de parketnummers 13.61.899.1 en 13.61.899.lA is telastegelegd, met dien verstande dat:
1.
hij op 22 november 1991 te Amsterdam ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 3] en/of andere politieambtenaren van het leven te beroven, opzette-lijk met een schietwapen kogels heeft afgevuurd in de rich-ting van die [naam 3] en die andere politieambtenaren, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, voorge-nomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn, verdachtes, wil onafhankelijke omstandigheid dat die [naam 3] en die anderen niet dodelijk werden getroffen;
lA.
hij op 22 november 1991 te Amsterdam voorhanden heeft gehad een revolver, Smith en Wesson, kaliber .357 magnum, en een pistool, Glock 17, kaliber 9 mm parabellum.
Hetgeen onder de parketnummers 13.61.899.1 en 13.61.899.lA meer of anders is telastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen-verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen
Met betrekking tot het onder parketnummer 13. 61,899.1 telaste-gelegde feit;
1. Een voor fotokopie conform het origineel gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de arrondissements-rechtbank te Amsterdam van 15 april 1992.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven-:
Op 22 november 1991 heb ik in mijn huis in Amsterdam met een revolver geschoten in de richting van de gang. Ik heb twee-maal geschoten. Ik schoot in de richting waarvandaan ik menselijke stemmen hoorde.
2. Een proces-verbaal d.d. 22 november 1991, opgemaakt op ambtseed door [naam 3] en op ambtsbelofte door [naam 4] en
[naam 5] , respectievelijk opperwachtmeesters en wachtmeester eerste klas der rijkspolitie (doorgenummerd bladzijde 81-82).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verba-lisanten, dan wel van één van hen - zakelijk weergegeven-:
Op 22 november 1991 waren wij, verbalisanten, allen behorend tot het arrestatieteam van het korps rijkspolitie, district Amsterdam, in uniform gekleed en vergezeld van vier andere opsporingsambtenaren, op het [adres] Ter aanhouding van een zich in dat perceel bevindende verdachte werd de voordeur van dit pand door ons geforceerd. Tijdens dit forceren werd door ons luidkeels "politie" geroepen. Hierop betraden wij de woning waarbij wij ons bekend bleven maken door het woord "politie" te roepen. In de gang van dit perceel hoorden wij een luide knal. Onmiddellijk hierop voelde ik, [naam 3] , dat mijn linker-broekspijp door iets geraakt werd. De knal herkenden wij als het schot uit een vuurwapen. Hierop werd de verdachte, genaamd: [verdachte] , door ons aangehouden.
3. Een proces-verbaal d.d. 22 november 1991, opgemaakt op ambts-belofte door [naam 6] en op ambtseed door [naam 7] , beiden wachtmeester eerste klas der rijkspolitie (doorgenummerd blad-zijde 86).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verba-lisanten - zakelijk weergegeven-:
Op 22 november 1991 bevonden wij ons in verband met een aanhoudingsactie in de achtertuin van perceel [adres] te Amsterdam. Op een zeker moment hoorden wij via onze portofoon dat de aanhoudingsactie zou aanvangen. Kort hierop hoorden wij collega's roepen "politie, politie". Wij hoorden vervolgens dat er twee maal werd geschoten.
Met betrekking tot het onder parketnummer 13.61.899.lA telaste-gelegde feit:
1. Een voor fotokopie conform het origineel gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de arrondissements-rechtbank te Amsterdam van 15 april 1992.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven-:
Het klopt dat ik op 22 november 1991 in ml.Jn huis in Amsterdam twee vuurwapens in mijn bezit had. Het betrof een pistool Glock en een revolver Smith en Wesson. Het pistool was van mezelf en de revolver had ik de avond vóór 22 november 1991 van een vriend gekregen. Ik had tegen hem gezegd dat hij die revolver bij mij moest achterlaten. Ik wist dat het een geladen revolver betrof.
2a. Een proces-verbaal van huiszoeking d.d. 22 november 1991 van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:
Op 22 november 1991 heeft mr [naam 8] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, ter inbeslagneming huiszoeking gedaan te Amsterdam, [adres] , bewoond door [verdachte] . De rechter-commissaris deed zich onder meer vergezellen van de heer [naam 9] , technisch rechercheur rijkspolitie Amsterdam. Hetgeen op de aangehechte lijst is vermeld is inbeslaggenomen. De rechter-commissaris heeft het inbeslaggenomene ter hand gesteld aan de opsporingsambtena-ren.
2b. De aan het hiervoor onder 2a vermelde proces-verbaal gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen, onder meer vermeldend:
001 revolver, Smith en Wesson, kaliber .357 Magnum; 002 pistool, merk Clock (het hof leest: Glock).
3. Een geschrift zijnde een Gerechtelijk Laboratorium van Rijswijk d.d. 29 januari 1992, [naam 10] .
kopie van een rapport van het het Ministerie van Justitie te opgemaakt op ambtsbelofte door T.
Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van [naam 10] voornoemd -zakelijk weergegeven-:
Aanvrage van: technische recherche der rijkspolitie Amsterdam
Verbalisant: [naam 9] , adjudant
Op 9 december 1991 werden ontvangen van recherche der rijkspolitie Amsterdam, adjudant:
de via
technische [naam 11] ,
Al. een revolver,
.357 Magnum;
merk Smith & Wesson, model 13-3, kaliber
A2. een pistool, merk Glock, model 17,
Parabellum.
Conclusie;
kaliber 9 mm
De revolver ad Al, merk Smith & Wesson, is bestemd en geschikt voor het verschieten van revolverpatronen kaliber
.357 Magnum.
Het pistool ad A2, merk Glock, is bestemd en geschikt voor het semi-automatisch verschieten van pistoolpatronen kaliber
9 mm Parabellum.
Het hof heeft dit geschrift slechts tot het bewijs gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Oe strafbaarheid van de feiten
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrek-king tot het onder parketnummer 13.61.899.1 telastegelegde feit primair een beroep gedaan op noodweer en heeft daartoe - zake-lijk weergegeven - het volgende aangevoerd:
Ten behoeve van de aanhouding van verdachte hebben leden van het arrestatieteam van de Rijkspolitie Amsterdam met oorverdovend lawaai de toegangsdeur van de woning van verdachte geforceerd, ten einde de woning binnen te treden. Tijdens deze actie is weliswaar "politie" geroepen, doch dit is in het lawaai zodanig verloren gegaan dat verdachte, die zich in de slaapkamer van zijn woning bevond, dit niet heeft gehoord. Verdachte heeft de situ-atie beleefd als het binnendringen in zijn huis door mensen die hem om het leven kwamen brengen en hij voelde zich hierdoor zeer bedreigd. Verdachte was eerder door de politie gewaarschuwd dat anderen het op zijn leven gemunt hadden.
De raadsman acht de in artikel 41 van het Wetboek van strafrecht vereiste wederrechtelijkheid van de aanranding aanwezig op grond van zijn eerder gevoerde verweer, dat de politie onrechtmatig in de woning van verdachte is binnengetreden.
Het hof verwerpt dit verweer, reeds omdat, zoals hiervoor over-wogen, het binnentreden van het arrestatieteam niet onrechtmatig was en de politieambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren, zodat van een wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht geen sprake was.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert de volgende misdrijven op:
met betrekking tot het onder parketnummer 13.61.899.1 telastegelegde feit:
poging tot doodslag;
met betrekking tot het onder parketnummer 13.61.899.lA telastegelegde feit:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrek-king tot meer dan één schietwapen in de vorm van een pistool of revolver.
De strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrek-king tot het onder parketnummer 13.61.899.1 telastegelegde feit subsidiair een beroep gedaan op noodweer-exces en heeft daartoe
- zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het handelen van ver-dachte een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoeds-beweging, veroorzaakt door de inval van het arrestatieteam en het daarmee gepaard gaande lawaai.
Het hof verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als waarop het het beroep op noodweer heeft verworpen.
De raadsman heeft meer subsidiair een beroep gedaan op putatief noodweer en heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte niet heeft geweten en niet heeft kunnen weten, dat het politieambtenaren waren die zijn huis binnen vielen, zodat ver-dachte terecht kon menen dat hij werd aangevallen en dat verdediging daartegen noodzakelijk was.
Het hof verwerpt dit verweer, nu ervan moet worden uitgegaan dat de verdachte, alvorens te schieten, het door de leden van het arrestatieteam geroepen "politie" heeft gehoord. Het hof neemt hierbij in aanmerking:
a. een proces-verbaal d.d. 17 december 1991 van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, voor zover inhoudende als de verklaring van [naam 3] - zakelijk weergegeven-:
Misschien een seconde nadat met het forceren van de deur was begonnen scheurde de rechter deurstijl. Dit ging gepaard met een krakend geluid. Onmiddellijk daarop riepen diverse leden van het team: "politie". Er werd echt luidkeels geroepen, we roepen zoiets ook voor onze eigen veiligheid. Er is een moment geweest waarop politie werd geroepen zonder dat er andere (breek)geluiden te horen waren. Vervolgens kwam de man naar voren die de deurrammer in handen had. Op dat moment was het stil en werd er geroepen. Hij beukte op de deur. Steeds als hij uithaalde en het dus even stil was, werd er weer "politie" geroepen. Omdat het niet lukte de deur in te rammen, kozen we voor "het strippen van de ruit". Tegelijk met het inslaan van de ruit viel het binnenpaneel van de deur eruit. Het inslaan van de ruit werd gestopt, er viel dus eigenlijk weer een stilte. Ik heb de gang in geroepen: "politie". Vervolgens ben ik naar binnen gestapt en ben ik gaan rennen. Tijdens het rennen heb ik nog twee of drie keer "politie" geroepen. Toen hoorde ik een knal;
een proces-verbaal d.d. 22 november 1991, opgemaakt op ambts-belofte door [naam 6] en op ambtseed door [naam 7] , beiden wachtmeester eerste klas der rijkspolitie (doorgenummerd blad-zijde 86), voor zover inhoudende als verklaring van verbalisan-ten - zakelijk weergegeven-:
Op 22 november 1991 bevonden wij ons in verband met een aanhoudingsactie in de achtertuin van perceel [adres] te Amsterdam. Op een zeker moment hoorden wij via onze portofoon dat de aanhoudingsactie zou aanvangen. Kort hierop hoorden wij collega's roepen "politie, politie". Wij hoorden vervolgens dat er twee maal werd geschoten;
een voor fotokopie conform het origineel gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de arrondissements-rechtbank te Amsterdam van 15 april 1992, voor zover inhoudende als de verklaring van de rechter-commissaris mr [naam 8] :
Tijdens de reconstructie bevond ik mij in de slaapkamer. Ik kan me nu vaag herinneren dat ik tijdens het beuken op de deur door het arrestatieteam "politie" heb horen roepen. Door de weergave van het cassettebandje thans ter terecht-zitting herinner ik me nu, dat ik toen wel "politie" heb gehoord;
de verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van de getuige-deskundige [naam 11] , voor zover inhoudende:
Gezien de wijze waarop de onderhavige reconstructie tot stand is gekomen, kan deze worden aangemerkt als een betrouwbare weergave van hoe het werkelijk gegaan is.
Ten tijde van de reconstructie van de inval door het arres-tatieteam bevond ik mij in de slaapkamer van verdachte. Het lawaai dat het team bij die inval veroorzaakte, was daar
duidelijk hoorbaar. Ook kon ik heel duidelijk "politie" horen roepen.
de door het hof ter terechtzitting aanschouwde en gehoorde beeld- en geluidopnamen van de reconstructie gehouden op 19 december 1991 in de woning van verdachte.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
De op te leggen straf en maatregel
De rechtbank heeft verdachte ter zake van de beide telastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek, en heeft de inbeslaggenomen goederen aan het verkeer onttrokken.
Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep zich, blijkens mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep, niet uitstrekt tot de beslissing van de rechtbank op de vordering tenuitvoerlegging.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging, en dat het hof,
in zoverre opnieuw rechtdoende, alsnog de tenuitvoerlegging zal bevelen van drie maanden gevangenistraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen, dat verdachte in zijn woning twee schietklare wapens voorhanden heeft gehad en niet geschroomd heeft één van deze wapens te gebruiken, toen politieambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening voormelde woning binnentraden.
Gelet op de ernst van deze feiten is slechts een langdurige vrijheidsbenemende straf op haar plaats.
Verdachte is al eerder door de strafrechter veroordeeld, onder meer ter zake overtreding van de Vuurwapenwet en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Voorts was voor verdachte ten tijde van het begaan van de onderhavige feiten nog een proeftijd van kracht.
Onder deze omstandigheden is de door de rechtbank opgelegde en door de procureur-generaal gevorderde gevangenisstraf van drie jaren alleszins gerechtvaardigd.
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. revolver, merk Smith & Wesson, nr. ALA 7515;
4 scherpe patronen .357, merk Norma;
2 hulzen van patroon .357;
opgevat als een gezamenlijkheid van voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar nu het onder parketnummer 13.61.899.1 bewezenverklaarde feit met behulp van deze voorwerpen is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. pistool, merk Glock 17, type 9x19 DC 638US;
1. bijbehorende houder gevuld met 17 scherpe patronen 9 mm; opgevat als een gezamenlijkheid van voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar nu het onder parketnummer 13.61.899.lA bewezenverklaarde feit met betrekking tot deze voorwerpen is-begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.
De toepasselijke wettelijke voorschriften
De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
De beslissing
Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Het hof:
Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder de parketnummers 13.61.899.1 en 13.61.899.lA telastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder de parketnummers 13.61.899.l en 13.61.899.lA meer of anders is telastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van
DRIE JAREN.
Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hech-tenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. revolver, merk Smith & Wesson, nr. ALA 7515; 4 scherpe patronen .357, merk Norma;
2 hulzen van patroon .357;
l pistool, merk Glock 17, type 9x19 DC 638US;
1. bijbehorende houder gevuld met 17 scherpe patronen 9 mm.
Dit arrest is gewezen door de zevende kamer van het gerechtshof te Amsterdam, belast met de behandeling van strafzaken, waarin zitting hadden mrs. Witteman, Torrenga en Salomons, in tegenwoor-digheid van mr. Warmerdam als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 april 1993.
Mr. Salomons is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
;11�
(kvï/
/.
\A _