ECLI:NL:GHAMS:2006:CA3538

ECLI:NL:GHAMS:2006:CA3538, Gerechtshof Amsterdam, 04-05-2006, rolnr: 661/02

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 04-05-2006
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer rolnr: 661/02
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005290

Samenvatting

Zie eindarrest d.d. 18 juni 2013 LJN:3545

Uitspraak

rolnumrner 661/02

4 mei 2006

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de GEMEENTE HAARLEM,

zetelend te Haarlem,

APPELLANTE,

procureur: mr. F.B. Falkena,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[ X ] B.V.,

gevestigd te Haarlem,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. B.J.H. Crans.

Appellante wordt aangeduid als de Gemeente, geintimeerde als

[ X ].

rolnummer 661/02 2

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 15 maart 2002 is de Gemeente in hoger be

roep gekomen van het door de rechtbank te Haarlem onder

zaaknr./rolnr. 03158/HA ZA 93-705 tussen haar als eiseres en

[ X ] als gedaagde gewezen en op 18 december 2001 uitgespro

ken vonnis.

Bij memorie heeft de Gemeente tegen het vonnis waarvan beroep

elf grieven aangevoerd, producties in het geding gebracht, be

wijs aangeboden, haar eis vermeerderd en geconcludeerd dat het

hof, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal ver

nietigen en, opnieuw rechtdoende, haar (vermeerderde) vorderin

gen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [ X ] in de

kosten van het geding in beide instanties.

[ X ] heeft bij memorie de grieven bestreden en geconclu

deerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen,

met veroordeling van de Gemeente in de kosten van — begrijpt

het hof - het hoger beroep.

Partijen hebben hun zaak mondeling doen bepleiten, de Gemeente

door mr. B.C. Romijn, advocaat te Haarlem, [ X ] door mr. F.

Waardenburg, advocaat te Den Haag, beiden aan de hand van aan

het hof overgelegde pleitaantekeningen. Bij die gelegenheid

heeft de Gemeente wederom bewijs aangeboden. Ook heeft de Ge

meente verklaard dat uitgegaan kan worden van de feitelijke

juistheid van het gestelde in het rapport Cerutti.

Partijen hebben arrest gevraagd.

rolnuIrirner 661/02 3

In aansluiting op de pleidooien heeft de Gemeente onder aktenummer

16/2005 stukken ter griffie van het hof gedeponeerd.

2. De feiten

Geen geschil bestaat over de opsomming door de rechtbank in

het vonnis waarvan beroep onder 2.a. tot en met j. van de tus

sen partijen vaststaande feiten, zodat ook het hof van die

feiten zal uitgaan.

3. De beoordeling van het hoger beroep

3.1. Verkort weergegeven gaat deze zaak over het volgende.

1) [ X ], een (omvangrijk) drukkerijbedrijf, heeft van

1761 tot 1991/1993 bedrijfsactiviteiten (als drukkerij en

als lettergieterij) uitgevoerd op het zogeheten [ X ]

complex, gelegen in het oude stadscentrum van Haarlem;

2) [ X ] heeft in 1981 bij onderhandse akte aan de gemeen

te een voorkeursrecht van koop van dit complex verleend.

Op 26 september 1986 is het [ X ]-COIUP1eX door twee

deskundigen getaxeerd. Bij besluit van 20 mei 1987 heeft

de raad van de Gemeente tot aankoop besloten;

3) Bij notariële akte van 1 december 1987 heeft [ X ] het

[ X ]-COrflPleX aan de Gemeente geleverd voor (de

door de deskundigen getaxeerde waarde van) f

8.275.000,—. In deze akte zijn - voor zover van be

lang - de volgende bepalingen opgenomen:

Hi. Het verkochte wordt geleverd (..) met alle lusten en

rolnuirmer 661/02 4

lasten, rechten en verplichtingen, erfdienstbaarheden en

zichtbare en verborgen gebreken (..)

3. Verkoper is tot geen andere vrijwaring gehouden dan (..)

voor hein bekende verborgen gebreken.

8. Partijen doen afstand van het recht om uit welken hoofde

ook ontbinding of vernietiging van deze overeenkomst te vor

deren.

4) Op 1 december 1987 zijn partijen tevens overeengekomen

dat [ X ] het complex zou blijven gebruiken en het

vervolgens in fasen zou ontruimen. Op 15 juli 1991 is een

belangrijk deel van het complex leeg en ontruimd aan de

Gemeente ter beschikking gesteld, in 1993 is ook het res

terende deel van het complex ontruimd;

5) Uit onderzoeksrapporten van (onder meer) 1991 en 1992 is

gebleken dat de bodem en het grondwater onder het Ensche

dé-complex ernstig tot zeer e]:.stig verontreinigd zijn. In

middels is - zo is ter gelegenheid van de pleidooien in ho

ger beroep door de Gemeente meegedeeld- tussen de Gemeente

en het Rijk een convenant gesloten waarin is vastgelegd dat

de Gemeente de vervuilde terreinen in eigen beheer zal sa

neren, waarbij de kosten van de sanering voor rekening van

de Gemeente blijven en dat het Rijk zal bijspringen wanneer

de kosten boven het bedrag van f 10.000.000,- uitkomen.

3.2.1. In deze procedure stelt de Gemeente dat [ X ] jegens

haar wanprestatie heeft gepleegd, althans onrechtmatig heeft

gehandeld. Samengevat vordert zij dienaangaande een verklaring

voor recht en voorts de veroordeling tot vergoeding van de

door haar geleden schade, bestaande uit onder meer de kosten

van onderzoeken en sanering, een en ander op te maken bij

staat. Subsidiair voert de Gemeente aan dat sprake is van een

rolnurnrner 661/02 5

verborgen gebrek en vordert zij dat de koopprijs op nihil

wordt gesteld. Meer subsidiair beroept de Gemeente zich op

dwaling en verlangt zij vernietiging van de koopovereenkomst,

met nevenvorderingen. Daarnaast vordert de Gemeente dat, met

betrekking tot de omliggende terreinen die aan de Gemeente in

eigendom toebehoren, [ X ] veroordeeld wordt tot vergoeding

van de kosten van onderzoeken en sanering. Met betrekking tot

de omliggende terreinen die aan derden in eigendom toebehoren

vordert de Gemeente de kosten van de bijdragen die zij ter za

ke van onderzoeken en sanering van door [ X ] veroorzaakte

verontreinigingen aan de Provincie zal moeten betalen.

3.2.2. In hoger beroep heeft de Gemeente haar eis aldus aange

vuld dat zij vordert dat met betrekking tot de onder de Bake

nessergracht aangetroffen triverontreiniging en de in de grond

van het [ X ]-terrein aangetroffen asbestverontreiniging

voor recht zal worden verklaard dat [ X ] jegens de Gemeen

te aansprakelijk is voor de daardoor opgekomen schade, met

veroordeling van [ X ] om die schade te vergoeden, op te

maken bij staat, met rente en kosten volgens de wet.

3.3. De rechtbank heeft de (in eerste aanleg door de Gemeente

ingestelde) vorderingen alle afgewezen, met veroordeling van

de Gemeente in de kosten van het geding. De rechtbank heeft

uit de uitlatingen van (de advocaat van) de Gemeente ter gele

genheid van de pleidooien begrepen dat de Gemeente haar vorde

ringen heeft “beperkt tot schade, voortvloeiend uit verontrei

niging van bodem en grondwater, voor zover die verontreiniging

uitstijgt boven de verontreiniging die op grond van het histo

risch gebruik van het [ X ]-complex als bedrijfsterrein te

verwachten was” (door de rechtbank aangeduid als ‘bovenmatige

rolnuinmer 661/02 6

verontreiniging’) De rechtbank oordeelde onder meer:

- dat op het geschil het v66r 1 januari 1992 geldende recht

van toepassing is;

- dat de Gemeente er niet op heeft mogen vertrouwen dat En

schedé besefte dat de Gemeente van plan was de bebouwing op

het [ X ]-complex niet te handhaven en dat de Gemeente

bouwrijpe grond wilde kopen;

- dat (mede daarom) de Gemeente redelijkerwijs niet heeft mo

gen verwachten dat de koopovereenkomst mede een garantie

voor schone grond van de zijde van [ X ] inhield;

- dat, gezien de aard van het verkochte (het terrein van een

voormalige drukkerij waar eeuwenlang industriële activitei

ten hebben plaatsgevonden) van een gebrek slechts sprake is

indien de vervuiling duidelijk ernstiger is dan gegeven de

historie mocht worden verwacht, doch door de Gemeente geen

maatstaf is aangereikt om te bepalen waar de grens ligt

tussen historische en boveninatige verontreiniging, zodat

niet kan worden vastgesteld of van een gebrek in voornoemde

zin sprake is;

- dat de tussen partijen overeengekomen contractuele regeling

van verborgen gebreken geacht moet worden de aansprakelijk

heid van [ X ] uitputtend te hebben willen regelen zodat

die regeling een beroep op aansprakelijkheid wegens on

rechtmatige daad uitsluit;

- dat het beroep op dwaling niet opgaat omdat bij gebrek aan

een duidelijke norm met betrekking tot bovenmatige vervui

ling niet kan worden vastgesteld in hoeverre de Gemeente

heeft gedwaald omtrent het door haar gestelde gebrek;

- dat de vordering met betrekking tot de omliggende terreinen

strandt omdat de Gemeente de verontreiniging van die omlig

rolnunirner 661/02 7

gende percelen, tegenover de betwisting door [ X ], on—

voldoende heeft toegelicht en onderbouwd.

3.4. In haar eerste grief komt de Gemeente op tegen de weerga

ve door de rechtbank van hetgeen door haar advocaat ter gele

genheid van het pleidooi in eerste aanleg zou zijn meegedeeld,

in haar tweede grief dat de rechtbank geen (stilzwijgende) ga

rantie voor schone grond heeft aangenomen en in haar derde

grief dat de rechtbank heeft geoordeeld dat van een gebrek

slechts sprake is indien de vervuiling duidelijk ernstiger is

dan gegeven de historie mocht worden verwacht. Deze grieven

lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In deze behandeling

zal ook de vierde grief worden betrokken.

3.5.1. Ter bespreking van deze grieven zal het hof eerst de

tussen partijen gesloten overeenkomst en de omstandigheden

waarin deze tot stand kwam onderzoeken. In dit verband kan het

volgende worden vastgesteld:

- in de akte waarin in 1981 aan de Gemeente een voorkeurs

recht tot koop van het [ X ]-complex wordt verleend,

staat geen bestemming opgenomen; ook is niet bepaald of bij

de taxatie van de waarde met een bepaalde bestemming en/of

verontreiniging van de bodem rekening moet worden gehouden.

Uit de akte blijkt dat eerst [ X ] zal beslissen of zij

het complex tegen de getaxeerde waarde te koop wil aanbie

den en dat daarna de Gemeente omtrent dit aanbod bij raads

besluit kan beslissen;

op 26 september 1986 hebben de makelaars, tevens taxateurs,

J.M. Strijbis en A. den Hartog de waarde van het [ X ]

complex getaxeerd op f 8.275.000,—. In het rapport wordt

melding gemaakt van een ontwerpbestemmingsplan Bakenes,

rolnumrner 661/02 8

waarin woondoeleinden, i1kantoorbedrij t sbestern

ming, opslag en stalling als voorgestelde bestemmingen

staan genoemd. Bij de waardering zijn de deskundigen uit

gegaan van

“het meest gerede gebruik voor de verschillende onderde

len van het complex, daarbij enerzijds lettend op de ge

bruiksmogelijkheden qua indeling, constructie en bouwaard

van de gebouwen en anderzijds op de beoogde bestemmingen,

in het ontwerpbestemmingsplan “Bakenes” genoemd”;

in de transportakte van 1

december 1987 wordt vermeld dat

deze geschiedt ter uitvoering van de tussen partijen be

staande koopovereenkomst. Een bestemming van het verkochte

is niet vermeld. Wel zijn onder meer de bepalingen opgeno

men zoals weergegeven onder 3.1.3);

uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over de

redenen die tot verkoop van het complex door [ X ] en

tot aankoop ervan door de Gemeente hebben geleid, maakt het

hof het volgende op. Vanaf midden jaren vijftig is [ X ]

gaan denken aan uitbreiding van het bedrijf door nieuwbouw

in de Waarderpolder. Ter uitvoering van dit voornemen vin

den in 1959 daarover besprekingen plaats met de Gemeente.

In de periode 1965-1986 wordt in vijf transacties 69.740 m2

grond in de Waarderpolder voor totaal f 4.907.942,- door de

Gemeente aan [ X ] verkocht en overgedragen. Ten aanzien

van de aankoopredenen bij de Gemeente moet worden geconclu

deerd dat de Gemeente de (voor [ X ] kenbare) bedoeling

had ‘vaste greep’ op het complex te krijgen en dat zij dit

historische en centrale deel van Haarlem wilde ontwikkelen

voor stadsvernieuwing (onder meer memorie van grieven, pag.

5). Daarbij stond, noch in 1981 noch in 1987, de Gemeente

een specifiek gebruik van het complex voor ogen, anders dan

ro1nunner 661/02 9

dat de aankoop zou moeten dienen voor verbetering en ver

sterking van de binnenstad van Haarlem (memorie van grie

ven, pag. 11) .

Voor [ X ] is het —

zo moet eveneens wor

den geconcludeerd - daarbij niet duidelijk geweest (en be

hoefde dit ook niet te zijn) dat de stadsvernieuwingsplan

nen van de Gemeente noodzakelijk meebrachten dat het com

plex zou worden gesloopt en dat ter plaatse nieuwbouw en

een (ondergrondse) parkeergarage tot stand zouden worden

gebracht. Het hof wijst in dit verband op hetgeen de taxa

teurs omtrent de bestemming verklaren (“daarbij enerzijds

lettend op de gebruiksmogelijkheden qua indeling, constructie en

bouwaard van de gebouwen”), alsmede op het feit dat —

naar onbetwist is gesteld —een deel van het [ X ]-complex

een monument was in de zin van de Monumentenwet en een deel

was bestempeld tot ‘beschermd stadsezicht’, hetgeen sloopplannen

van het complex zou (kunnen) bemoeilijken. Voor zo

ver de Gemeente omtrent een overeengekomen bestemming meer

of anders heeft gesteld, zijn die stellingen door [ X ]

gemotiveerd betwist en is daarvan geen (specifiek) bewijs

aangeboden. Het hof wijst erop dat ook in het rapport Ce

rutti geen steun voor de stelling van de Gemeente is te

vinden. Het tegendeel is, gelet op onder meer het geschre

vene op pagina 19 (tekst onder het hoofdje “Taxatie”) , eer

der het geval.

3.5.2. Specifiek met betrekking tot de verontreinigingsproble

matiek kan het volgende worden vastgesteld:

in 1975 wordt door een gemeentefunctionaris van de Gemeente

een milieuparagraaf, op te nemen in koopcontracten, gepro

duceerd, waarin (onder meer) de koper werd verplicht mee te

werken aan milieuhygiênisch onderzoek. In de koopakte van 7

rolnummer 661/02 10

juli 1976, waarin [ X ] (voor de derde keer) grond in de

Waarderpolder koopt van de Gemeente, wordt deze bepaling op

verlangen van de Gemeente opgenomen;

in 1980 signaleert de werkgroep Chemisch Afval (met doel na

te gaan in hoeverre er in Haarlem bodemverontreiniging kan

zijn als gevolg van storten chemisch afval) als mogelijke

vervuilde locatie het [ X ]-complex met de aantekening:

In het verleden is daar een geval van bodemverontreini

ging geconstateerd. (..)

in november 1980 neemt deze werkgroep wederom het [ X ]

complex op als mogelijke locatie van bodemverontreiniging;

in een nota voor B&W van de Gemeente van 10 juni 1981 wordt

wederom het [ X ]-complex als mogelijk verontreinigde

locatie genoemd;

op 7 april 1982 verschijnt wederom een nota vDor B&W. van de

Gemeente over de vrijwaringsclausule met het advies bij

aankopen in alle gevallen dat er kans bestaat op bodemver

ontreiniging, onderzoek te plegen vôôr het sluiten van de

overeenkomst;

in een brief van 31 december 1982 van VROM over een ISR

subsidie met betrekking tot het gebied Bakenes wordt uit

drukkelijk gestipuleerd dat door de Gemeente aandacht is

gegeven

“aan eventuele bodemverontreiniging en dat in de door u

te sluiten of gesloten koopovereerikomsten voorwaarden

zijn opgenomen, die een risico zowel financieel als in de

voortgang van de uitvoering van het plan uitsluiten”;

in een studie van de Grontmij in 1985 is een directe rela

tie gelegd tussen de grafische industrie en bodemverontrei

niging;

in een publicatie in 1986 van de Vereniging Gemeentelijke

rolnuinmer 661/02 11

Grondbedrijven wordt in de Leidraad gemeentelijke gronduit

gifte met bodemverontreiniging rekening gehouden;

- met ingang van 1

januari 1987 stelt de Rijksoverheid in ge

val van gesubsidieerde woningbouw voorafgaand bodemonder

zoek en desnodig sanering verplicht;

- in een brief van 13 januari 1987 van de Gemeente aan GS

wordt onder meer het [ X ]-complex aangemeld voor opne

ming in provinciaal saneringsprogramma;

- op 21 april 1987 besluit B&W van de Gemeente (

naar aanlei

ding van een nota over indicatief bodemonderzoek) om zowel

bij aankoop als verkoop indicatief bodemonderzoek uit te

voeren en voorts om in koopcontracten standaard te laten

opnemen dat partijen bekend zijn met de resultaten van het

uitgevoerde indicatief bodemonderzoek, alsmede om de rap

portage daarvan achter de tranortakte te hechten.

3.6. Uit het vorenoverwogene volgt allereerst dat de koopover

eenkomst tot stand is gekomen —

en moet worden beoordeeld naar

de toestand - in mei 1987 door het aankoopbesluit van de raad

van de Gemeente. De stelling van de Gemeente dat de obligatoi—

re overeenkomst is gesloten in 1981 (conclusie van repliek,

pag. 5) is onjuist. Het hof merkt op dat uit de akte van 1981

blijkt dat de Gemeente - indien en nadat [ X ] had besloten

tot aankoop voor het getaxeerde bedrag - geen verplichting had

om aan te kopen maar de vrijheid had om van aankoop af te

zien. Dat de Gemeente bij een besluit om niet aan te kopen,

bijvoorbeeld om redenen van (mogelijk) aanwezige bodemveront

reiniging, haar recht van voorkeur zou hebben verloren, bete

kent niet dat de Gemeente in enig opzicht obligatoir was ge

bonden. rolnummer 661/02 12

3.7. Naar het oordeel van het hof volgt uit de opsomming onder

3.5 voorts dat voor de door de Gemeente gestelde stilzwijgende

garantie, dat aan de Gemeente schone grond zou worden geleverd

althans grond die geschikt was voor de (latere) stadsvernieu

wingsplannen, onvoldoende concrete aangrijpingspunten zijn ge

steld of gebleken. Ten tijde van het sluiten van de overeen

komst bestond omtrent de door de Gemeente aan het [ X ]

complex te geven bestemming nog zoveel onduidelijkheid dat

niet kan worden aangenomen dat partijen een specifieke bestem

ming (anders dan handhaving van de bestaande bebouwing) zijn

overeengekomen. Van de door de Gemeente gestelde garantie kan

reeds om die reden geen sprake zijn. Grief 2, waarin de Ge

meente klaagt dat de rechtbank geen (stilzwijgende) garantie

heeft aangenomen, treft derhalve geen doel.

3.8. Uit de vaststaande gegevens volgt verder dat beide par

tijen op het gebied van bodemverontreiniging van bedrijfster

reinen in zekere mate als deskundig zijn aan te merken. En

schedé heeft in de 60-er jaren milieumanager ir. J. Wotte aan

gesteld, die onder meer in 1989 een lezing heeft gehouden over

het onderwerp milieuproblematiek in de grafische industrie

(zie o.m. memorie van grieven, pag. 8) .

Ook de Gemeente moet

op voormeld gebied als deskundig worden aangemerkt. Niet al

leen was de Gemeente uitvoerder van de Hinderwet, ook wijst

het hof onder meer op de reeds in 1975 ontplooide activiteiten

tot opname van een milieuparagraaf in inkoopcontracten en de

berichten/waarschuwingen van de werkgroep Chemisch Afval en

VROM. Indien de deskundigheid omstreeks mei 1987 bij de Ge

meente feitelijk niet aanwezig was zal zulks voor haar reke

ning en risico dienen te komen. Het hof gaat ervan uit dat de

Gemeente (in mei 1987) wist of behoorde te weten dat in verrolnunirner

661/02 13

band met het gebruik door [ X ] van het [ X ]-complex,

gedurende enkele eeuwen, tot aan het moment van aankoop toe,

aan het [ X ]-complex gevaren van (ernstige) bodemveront

reiniging waren verbonden.

3.9. Eveneens volgt uit de opsomming onder 3.5 dat niet is ko

men vast te staan dat [ X ] de wetenschap had van een bo

venmatige verontreiniging, waaronder het hof —

met de recht

bank — verstaat dat het [ X ]-complex meer verontreinigd

was dan op grond van de historie van het complex mocht worden

verwacht. In dit verband is van belang dat [ X ] gemoti

veerd heeft betwist (de stelling van de Gemeente) dat [ X ]

in strijd met de Lozingsvergunning van 1980 gechioreerde ver

binden in het riool zou hebben gestort. De Gemeente heeft haar

stelling niet verder toegelicht en ook bewijs ervan is niet

aangeboden. Ook moet ervan worden uitgegaan dat de Gemeente

bekend was dat [ X ] in haar bedrijfsvoering tri gebruikte.

In de memorie van grieven (pag. 18) erkent de Gemeente dat het

trihok haar bekend was in verband met de toenmalige Hinderwet.

Onbetwist is door [ X ] aangevoerd (memorie van antwoord,

nr. 8) niet alleen dat de Gemeente in 1965 een bouwvergunning

voor de tri-installatie heeft afgegeven maar ook dat in de lo

zingsvergunning van 1980 tri expliciet is verboden.

3.10. Het hof concludeert uit het onder 3.9 overwogene dat, nu

ervan moet worden uitgegaan dat [ X ] zelf niet wist van

een bovenmatige verontreiniging, nu geen sprake was van rele

vante bijzonderheden in haar bedrijfsvoering die onbekend wa

ren bij de Gemeente (en waarvan [ X ] de Gemeente derhalve

op de hoogte had moeten brengen) en nu [ X ] mocht uitgaan

van bij de Gemeente aanwezige deskundigheid, door [ X ]

rolnuinmer 661/02 14

geen mededelingsplicht is geschonden. Hiertoe overweegt het

hof tevens dat, gezien de deskundigheid van de Gemeente en de

haar ten dienste staande middelen, in de gegeven omstandighe

den, waaronder ook de onduidelijkheid omtrent de aan het com

plex te geven bestemming, redelijkerwijs van [ X ] niet kon

worden verwacht dat zij, alvorens het [ X ]-complex aan de

Gemeente te leveren, een bodemonderzoek had laten verrichten.

3.11. Ook concludeert het hof uit het onder 3.8 en 3.9 overwo

gene dat aan de Gemeente verweten kan worden dat zij in het

overleg met [ X ] een eventuele verontreiniging van de bo

dem, in verband met mogelijke toekomstplannen met het complex,

niet aan de orde heeft (durven te) gesteld (stellen), daarom

trent (ondanks alle waarschuwingen) geen beding heeft opgeno

men (integendeel: de uitsluiting van verborgen gebreken heeft

geaccepteerd) en geen onderzoek heeft gedaan. Het hof verwerpt

dat [ X ] een dergelijk onderzoek zou hebben verhinderd. De

stelling van de Gemeente dat de toegang tot het bedrijf van

[ X ], in de jaren vôér de koopovereenkomst, vanwege de be

drijfsgeheimen van [ X ] niet ongehinderd en zelfs zeer be

perkt mogelijk was, is naar het oordeel van het hof irrele

vant. De Gemeente heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de

bedrijfsgeheimen van [ X ] eraan in de weg zouden hebben

gestaan dat zij omstreeks mei 1987 in verband met een te nemen

aankoopbesluit een bodemonderzoek zou hebben uitgevoerd.

3.12. Tegen de achtergrond van het vorenoverwogene, en mede

gezien het feit dat partijen zijn overeengekomen dat de Ge

meente het complex aanvaardde in de staat waarin het zich be

vond met alle lusten en lasten, zichtbare en onzichtbare (aan

de verkoper onbekende) gebreken, falen de klachten tegen het

rolnummer 661/02 15

oordeel van de rechtbank dat van aansprakelijkheid van Ensche

dé slechts sprake kan zijn indien (aan het verkochte het ge

brek kleeft dat) de grond bovenmatig is verontreinigd, Op deze

grond hebben de grieven 1, 3 en 4 geen succes.

3.13. Laatgenoemde grieven falen ook omdat het hof, gezien de

vermelding in het vonnis waarvan beroep en bij gebreke van ge

gevens die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, ervan

heeft uit te gaan dat de (advocaat van) de Gemeente de door de

rechtbank weergegeven uitlating heeft gedaan.

3.14. Ook in hoger beroep heeft de Gemeente geen maatstaf aan

gereikt om te kunnen beoordelen of van bovenmatige verontrei

niging sprake is. Daarom kan ook niet worden geoordeeld dat

[ X ] grond heeft geleverd die bovenmatig is verontreinigd

en dat zij derhalve wanprestatie heeft gepleegd. Om deze reden

kan evenmin worden geoordeeld dat sprake is van een verborgen

gebrek. Het hof neemt over — en maakt tot het Zijne — hetgeen

de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Het hof voegt hier

aan toe dat het beroep op de aanwezigheid van een verborgen

gebrek ook afstuit op het tussen partijen overeengekomen be

ding waarin deze aansprakelijkheid wordt uitgesloten en het

(geldige) beroep daarop door [ X ].

3.15. In de grieven 5 en 7 verdedigt de Gemeente dat de recht

bank heeft miskend dat het enkele feit dat in (de grond onder)

het [ X ]-complex tri is aangetroffen al meebrengt dat En

schedé, als enig mogelijke veroorzaker van die verontreini

ging, aansprakelijk behoort te zijn.

3.16. De grieven falen. [ X ] heeft (van omstreeks 1950)

ro1nunmer 661/02 16

tot 1980 tri gebruikt. Dit gebruik was in die periode gebrui

kelijk en was aan de Gemeente bekend (zie 3.9). Bij deze stand

van zaken kan niet worden geoordeeld dat de enkele aanwezig

heid van tri de verontreiniging bovenmatig doet zijn. Dat meer

tri aanwezig was dan mocht worden verwacht is — mede wegens

het ontbreken van een duidelijke maatstaf — gesteld noch ge

bleken.

3.17. Aan het beroep van de Gemeente op het bepaalde in arti

kel 6:99 BW (memorie van grieven, pag. 16) gaat het hof voor

bij omdat niet is komen vast te staan dat [ X ] voor de

verontreiniging aansprakelijk is.

3.18. Het oordeel van de rechtbank dat de tussen partijen

overeengekomen contractuele regeling van verborgen gebreken

geacht moet worden de aansprakelijkheid van [ X ] wegens de

aanwezigheid van bodemverontreiniging uitputtend te hebben

willen regelen zodat die regeling een beroep op aansprakelijk

heid wegens onrechtmatige daad uitsluit, is juist. Feiten of

omstandigheden die tot een andere oordeel moeten leiden zijn

gesteld noch gebleken. De tegen dit oordeel gerichte grief 8

treft geen doel.

3.19. Zoals onder 3.3 werd weergegeven heeft de rechtbank het

beroep van de Gemeente op dwaling afgewezen. Het hof neemt

over — en maakt tot het zijne — hetgeen de rechtbank daarom

trent heeft overwogen. Het hof voegt toe dat een beroep op

dwaling ook afstuit op het niet instellen door de Gemeente van

onderzoek waar dat, in de omstandigheden van het geval, wel

had gemoeten. Het hof verwijst naar het overwogene onder 3.11.

De conclusie moet zijn dat grief 9 geen doel treft.

rolnuinrner 661/02 17

3.20. Ter zake van de asbestverontreiniging in de grond van

het [ X ]-complex overweegt het hof als volgt. Partijen

zijn het er over eens dat de asbestverontreiniging het gevolg

is van een ten tijde van de bouw van de opstallen gebruikelij

ke en rechtmatige bouwwijze. Tegen die achtergrond en hetgeen

hierboven reeds is overwogen ten aanzien van de gronden waarop

de Gemeente verhaal zoekt voor de saneringskosten van de ver

ontreiniging van het [ X ]-complex, moet geoordeeld worden

dat [ X ] jegens de Gemeente niet aansprakelijk is voor de

gevolgen van de asbestverontreiniging.

3.21. Grief 10 komt op tegen de afwijzing door de rechtbank

van de vordering van de Gemeente voorzover deze betrekking

heeft op de omliggende terreinen. De rechtbank oordeelde dat

deze vordering door de Gemeente onvoldoende is onderbouwd.

3.22. Voorzover de grief betrekking heeft op de verontreini

ging van de percelen van derden en de in dat kader door de Ge

meente geleden schade faalt de grief. Indien de Gemeente be

doelt te stellen dat de aansprakelijkheid van [ X ] voor de

hier bedoelde schade berust op dezelfde grondslagen als de Ge

meente heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar vordering

met betrekking tot de kosten van sanering van het [ X ]

complex, dat wil zeggen wanprestatie, onrechtmatige daad, ver

borgen gebreken en/of dwaling met betrekking tot de koop van

het complex, volgt uit hetgeen het hof hierboven heeft overwo

gen dat deze grondslagen ontoereikend zijn. Voor het overige

heeft de Gemeente onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit

kan volgen dat [ X ] jegens de Gemeente aansprakelijk is

voor de mogelijk door de gemeente te lijden schade als gevolg

rolnuminer 661/02

18

van de verontreiniging van omliggende percelen van derden.

3.23. Voorzover de vordering van de Gemeente betrekking heeft

op de verontreiniging van omliggende, aan de Gemeente in ei

gendom toebehorende gronden, moet bij de beoordeling van de

grief moet uitgangspunt zijn — een ander standpunt is door En

schedé ook niet verdedigd — dat het ernstig verontreinigen van

omliggende percelen, toebehorend aan een derde (de Gemeente),

jegens die derde onrechtmatig is. Onvoldoende betwist is dat

omliggende percelen aan de Gemeente in eigendom toebehoren en

dat die gronden (en het zich daaronder bevindende grondwater)

onder meer met tri zijn vervuild. Alvorens te beslissen over

de toewijsbaarhejd van de te dien aanzien gevorderde verkla

ring voor recht behoeft het hof nadere informatie van partij

en, omdat het debat tussen partijen op dit punt nog onvoidra

gen is. In het bijzonder wenst het hof te vernemen naar aan

leiding van onderstaande vraagpunten:

welke onderzoeken hebben inmiddels plaatsgevonden naar de

beweerdelijk van het Ensched-complex afkomstige tri

vervuiling van de grond onder de Bakenessergracht en even

tuele andere in eigendom van de gemeente zijnde percelen?

beschikt de Gemeente inmiddels over nadere gegevens waaruit

de aard en omvang van de vervuiling, alsmede de herkomst

van de vervuiling blijkt (vergelijk memorie van grieven

pag. 16 en pleitnotities van mr. Romijn onder 16)?

heeft de Gemeente inmiddels besloten tot het treffen van

saneringsmaatregelen ten aanzien van de hier bedoelde ver

ontreinigingen?

bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft de

Gemeente, in reactie op het verweer van [ X ] op dit

rolnummer 661/02

19

punt (zie memorie van antwoord pag. 13 en 16-17), aang-e

voerd dat de hier bedoelde tri-vex-v-uiling niet is veroor

zaakt door andere bedrijven dan [ X ] (zie pleitnotities

mr. Romijn onder 16) . Beschikt [ X ] over nadere gege

vens waaruit kan blijken dat de door haar genoemde andere

bedrijven de tri-verontreiniging hebben veroorzaakt? Heeft

[ X ] hieromtrent advies ingewonnen van de door haar in

geschakelde milieudeskundige Oranjewoud?

3.24. Het hof zal daartoe een comparitie van partijen gelasten en verzoekt partijen om, indien zij ter gelegenheid van de comparitie nadere stukken in het geding wensen te brengen, die stukken, voorzien van een beknopte toelichting, uiterlijk

veertien dagen voorafgaand aan de comparitie aan de raadsheer

commissaris, met een afschrift aan de wederpartij, toe te zen

den. Met betrekking tot dit onderdeel van de door de Gemeente

ingestelde vordering zal iedere verdere beslissing worden aan

gehouden.

3.25. Het hof ziet aanleiding te bepalen dat tegen dit tus

senarrest cassatie kan worden ingesteld.

4. Beslissing

Het hof:

gelast partijen, vergezeld van hun raadslieden, tot het on

der 3.23 omschreven doel, te verschijnen voor mr. G.J. Vis

ser, daartoe als raadsheer-comjssarjs benoemd, in het Parolnuri-

uiier 661/02 20

leis van Justitie, Prinsengracht 436 te Pmsterdam, op woensdag 6 september 2006 des voormiddags om 9.30 uur;

- gelast partijen om, indien zij op het zojuist genoemde tijdstip verhinderd zijn, dat binnen drie weken na heden schriftelijk aan het enquêtebureau van het hof mee te de

len, onder gelijktijdige opgaaf van de verhinderdata van beide partijen in de maanden september, oktober en november

2006;

- bepaalt dat tegen dit tussenarrest cassatie kan worden in

gesteld;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door rnrs. G.J. Visser, C.A. Joustra en G.C. Makkink en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2006.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JBO 2013/126 met annotatie van H.J. Bos JM 2013/141 met annotatie van H.J. Bos
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?