GERECHTSHOF AMSTERDAM
zaaknummer: 200.129.571/01
beschikking van de wrakingskamer van 6 augustus 2013
inzake het op 2 juli 2013 griffie van dit hof ingediende verzoekschrift van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. M.R. Krul te Den Haag.
Het geding
Appellant wordt hierna [naam] genoemd.
Bij beroepschrift, per fax binnengekomen ter griffie van het gerechtshof op 2 juli 2013, is [naam] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2013. [naam] heeft daarbij geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat een meervoudige (wrakings)kamer van de rechtbank Amsterdam het verzoek van [naam] tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam [voorzitter] zal behandelen, alsmede zal bepalen dat de uitspraak in de hoofdzaak in kort geding met zaaknummer C/13/542237/KG ZA 13-628 zal worden aangehouden totdat op voornoemd wrakingsverzoek zal zijn beslist.
Op 3 juli 2013 is het beroepschrift met producties binnengekomen ter griffie van het hof.
Vervolgens is uitspraak bepaald op heden.
Beoordeling
1.1. Blijkens artikel 39 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat geen voorziening, en derhalve ook geen hoger beroep, open tegen een beslissing op een verzoek tot wraking.
1.2. [naam] heeft betoogd dat dit wettelijk appelverbod kan worden doorbroken, omdat de wrakingskamer van de rechtbank ten onrechte artikel 39 Rv buiten toepassing heeft gelaten dan wel essentiƫle vormen heeft verzuimd, zodat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het wrakingsverzoek in de zin van artikel 6 EVRM niet kan worden gesproken.
1.3. Het verzoek tot wraking is gedaan in een civiele dagvaardingszaak. Dit brengt mee dat het wrakingsverzoek moet worden aangemerkt als een incidentele vordering in die hoofdzaak en dat de beslissing op dat verzoek - waarin geen einde wordt gemaakt aan het geschil ter zake van enig deel van het gevorderde in de hoofdzaak - een tussenvonnis is in de zin van artikel 337 lid 2 Rv (vlg. Hof Amsterdam 16 mei 2011, LJN:BQ8712, NJF 2011, 301). Dit laatste leidt ertoe dat het hoger beroep van de wrakingsbeslissing slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
1.4. Dat het wettelijke verbod op een voorziening volgens [naam] in dit geval wordt doorbroken maakt niet dat tussentijds hoger beroep openstaat zonder dat de rechter die mogelijkheid heeft opengesteld.
1.5. Omdat de rechtbank tussentijds hoger beroep niet heeft opengesteld, is [naam] thans kennelijk niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
1.6. Mocht [naam] te zijner tijd in hoger beroep gaan in de hoofdzaak - bij een eventueel volgend tussenvonnis, indien de voorzieningenrechter daarbij tussentijds hoger beroep zal toelaten, of bij het eindvonnis - dan kan hij bij die gelegenheid desgewenst ook in hoger beroep gaan van de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank en aan de appelrechter de vragen voorleggen of hij belang heeft bij laatstbedoeld hoger beroep, of hetgeen hij heeft aangevoerd kan leiden tot doorbreking van het appelverbod van artikel 39 lid 5 Rv en of dat aanleiding geeft tot een ander oordeel dan dat van de wrakingskamer van de rechtbank. Voor onderzoek van die vragen is in het onderhavige, ontijdige hoger beroep geen plaats.
1.7. Uit het voorgaande volgt dat [naam] kennelijk niet-ontvankelijk is in dit hoger beroep. Op grond van artikel 11 lid 1 van het wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam, is derhalve geen mondelinge behandeling van het hoger beroep bepaald. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek komt het hof niet toe.
Beslissing
Het hof:
verklaart [naam] kennelijk niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Clement, G.J. Driessen-Poortvliet en C.G. Kleene-Eijk en is in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.G.E.Y. Lok in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 augustus 2013.