GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.111.710/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 467534 / HA ZA 10-2657
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 juli 2014
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
S’ENERGY B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
appellante,
tevens (voorwaardelijk) incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. C.E.M. Malmberg te Den Haag,
tegen
1. de naamloze vennootschap
DELTA N.V.,
gevestigd te Middelburg,
2. de heer [geintimeerde sub 2],
wonend te [woonplaats],
geïntimeerden,
tevens (voorwaardelijk) incidenteel appellanten,
advocaat: mr. P.D. Olden te Amsterdam.
1. Verzoek
Partijen worden hierna S’Energy en Delta c.s. genoemd.
Op 24 juni 2014 is in het onderhavige geding een tussenarrest gewezen door dit hof; het dictum houdt in, dat de zaak naar de rol wordt verwezen voor uitlatingen van partijen in verband met een door het hof te gelasten deskundigenbericht. Hierop hebben Delta c.s. bij brief van 30 juni 2014 aan het hof verzocht verlof te verlenen voor het tussentijds instellen van cassatieberoep. S’Energy heeft bij brief van 3 juli 2014 het hof verzocht dit verzoek af te wijzen.
2. Motivering
Delta c.s. leggen aan hun verzoek ten grondslag dat het door het hof te gelasten deskundigenbericht naar verwachting kostbaar en tijdrovend zal zijn. De proceseconomie is er derhalve mee gediend als de Hoge Raad tevoren uitsluitsel geeft over de juridische kernvragen. Het tussenarrest bevat oordelen die te kwalificeren zijn als bindende eindbeslissingen, aldus Delta c.s..
S’Energy stellen hier tegenover dat uit de wet voortvloeit dat van een tussenarrest slechts beroep in cassatie kan worden ingesteld tegelijk met het eindarrest. De eisen van de goede procesorde staan aan het maken van een uitzondering in dit geval in de weg, aldus S’Energy.
3. Beoordeling
Het hof ziet in hetgeen Delta c.s. aanvoeren, mede gelet op het bezwaar van S’Energy, onvoldoende grond om in afwijking van de hoofdregel van artikel 401a WBRv het verzoek tot het verlenen van bedoeld verlof in te willigen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
4. Beslissing
Het hof:
wijst het verzoek af.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, E.E. van Tuyll van Serooskerken - Röell en P.F.G.T. Hofmeijer - Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.