Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 februari 2013 en 24 februari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 december 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (te weten 11.115 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemde hoeveelheid geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 11 december 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, te weten € 11.115,00, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Nadere bewijsoverweging
Volgens artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten is iedere natuurlijke persoon die de Gemeenschap binnenkomt of verlaat met een bedrag van tenminste € 10.000,00 verplicht om daarvan aangifte te doen bij de bevoegde autoriteiten.
Een opzettelijke overtreding van dit voorschrift is strafbaar gesteld bij artikel 10:1, vierde jo. vijfde lid, van de Algemene Douanewet en levert volgens artikel 10:13 van die wet een misdrijf op.
Blijkens het dossier is de verdachte, komende vanuit Zürich, op 11 december 2010 aangekomen op de luchthaven Schiphol, waar hij werd gecontroleerd op grond van de Algemene Douanewet. Aan de verdachte werd gevraagd of hij meer dan € 10.000,00 bij zich droeg. De verdachte antwoordde daarop aanvankelijk ontkennend en pakte een aantal eurobiljetten uit zijn broekzak. Nadat één van de verbalisanten een verdikking voelde in de jas van de verdachte, pakte de verdachte desgevraagd ook een envelop uit zijn jaszak, waar naar zijn zeggen ongeveer € 3.400,00 in zat. Hierop is de verdachte nader onderzocht in de visitatieruimte. Uit dit nader onderzoek bleek dat de verdachte een stapel 500 eurobiljetten in zijn onderbroek had verstopt. In totaal is bij de verdachte een bedrag van € 11.115,00 aangetroffen.
Tijdens het verhoor van 12 december 2010 heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat hij meer dan € 10.000,00 met zich voerde en dat hij altijd heeft gehoord dat je maximaal € 10.000,- vrij mag meenemen.
Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte gehouden was om aangifte te doen bij de bevoegde autoriteiten en dat hij opzettelijk niet aan die verplichting heeft voldaan. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het misdrijf als omschreven in artikel 10:1, vierde jo. vijfde lid, van de Algemene Douanewet. Vanaf dat moment heeft de verdachte daarmee een geldbedrag van € 11.115,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit onmiddellijk afkomstig was uit – in dit geval: eigen – misdrijf.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat voornoemd geldbedrag reeds voor het binnenbrengen daarvan in de Gemeenschap afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof overweegt daartoe dat de verdachte over de herkomst van voornoemd geldbedrag heeft verklaard dat dit afkomstig zou zijn uit prostitutiewerkzaamheden in Zürich van een vriendin van hem, te weten [vriendin verdachte]. Het hof is van oordeel dat deze verklaring van de verdachte in voldoende mate wordt ondersteund door een verklaring van die [vriendin verdachte] op 28 oktober 2013 ten overstaan van de raadsheer-commissaris, waarin zij overeenkomstig heeft verklaard, alsmede een brief van het ‘Amt für Wirtschaft und Arbeit’ van 1 november 2010, waaruit blijkt dat die [vriendin verdachte] kort voor het tenlastegelegde gedurende een periode van ongeveer een half jaar werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige bij Club Hulala Mary in Töss (Zwitserland). Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat personen die werkzaam zijn in de prostitutiebranche doorgaans met contant geld worden betaald en dat hier grote bedragen in omgaan.
Gezien het voorgaande kan daarom niet zonder meer worden gesteld dat het niet anders kan dan dat het ten laste gelegde geldbedrag reeds voor het binnenbrengen daarvan in de Gemeenschap afkomstig was uit enig misdrijf.
Dat de verdachte aanvankelijk niet de naam van die [vriendin verdachte] heeft willen geven – evenals de naam van het zusje van die [vriendin verdachte] die bij het wisselen van het geldbedrag van Zwitserse francs naar euro’s zou zijn betrokken – doet aan het voorgaande niet af, dit mede in het licht van het feit dat de verklaring van de verdachte dat hij heeft getracht die [vriendin verdachte] en haar zusje niet in een strafrechtelijke procedure te betrekken, in beginsel te begrijpen is.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het hof overweegt dat ingeval van bewezenverklaring van witwassen van een geldbedrag uit eigen misdrijf in beginsel van de witwasser een handeling wordt gevergd die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. Het hof heeft op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kunnen vaststellen dat de verdachte een dergelijke handeling heeft verricht, nu enkel bewezen kan worden dat hij het geld voorhanden heeft gehad.
Gelet op het voorgaande levert het bewezen verklaarde wegens niet-kwalificeerbaarheid daarvan geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 11.115,00.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.C.P. Haentjens, mr. P. Greve en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2013.
[...]