De feiten en de rechtsgang
Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Schiphol van 15 juni 2015, waarbij namens de opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld.
Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken en heeft gehoord de advocaat-generaal en de opgeëiste persoon, bijgestaan door diens raadsman mr. [naam].
De beoordeling
Artikel 56, tweede lid, van de Uitleveringswet (Uw) verklaart op bevelen van de rechter-commissaris en de rechtbank tot opschorting of schorsing van de vrijheidsbeneming op grond van die wet – voor zover hier van belang – het bepaalde in artikel 87 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
Laatstgenoemd artikel stelt alleen beroep open bij de rechtbank van beslissingen van de rechter-commissaris tot schorsing van de vrijheidsbeneming voor de officier van justitie.
De wet kent geen mogelijkheid van hoger beroep als door de raadsman is ingesteld. De opgeëiste persoon kan daarom niet in dat verzoek worden ontvangen.
De beslissing
Het hof:
VERKLAART de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven op 1 juli 2015 in raadkamer van dit hof door
mr. M.J.G.B. Heutink, voorzitter,
mrs. H.S.G. Verhoeff en J.L. Bruinsma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg als griffier.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de opgeëiste persoon .
Amsterdam, 1 juli 2015,
de advocaat-generaal