ECLI:NL:GHAMS:2015:5820

ECLI:NL:GHAMS:2015:5820, Gerechtshof Amsterdam, 04-12-2015, 23-004186-13

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 04-12-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23-004186-13
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:235
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Bevestiging vonnis rechtbank Amsterdam na terugwijzing door Hoge Raad

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep ter terechtzitting van 23 januari 2012 door het gerechtshof toegelaten wijzigingen, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij als bestuurder van [bedrijf 1] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 juni 2003 tot en met 31 mei 2004, te Gouda en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, hierna te noemen wijziging(en) in het aantal aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1], waarover hij (middels de door hem gehouden vennootschappen [bedrijf 2]) toen en daar beschikte, niet onverwijld aan de Minister van Financiën, althans aan de [bedrijf 3], heeft/ hebben gemeld, op door de Minister van Financiën, althans de [bedrijf 3], bepaalde wijze, te weten;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:

- het hof de tenlastelegging zoals gewijzigd ter terechtzitting van 23 januari 2012 als grondslag neemt voor de beoordeling in hoger beroep en de verdachte zal vrijspreken van het bij voornoemde wijziging meer of anders tenlastegelegde.

- het hof het onder voetnoot 3 in het vonnis genoemde bewijsmiddel als volgt zal corrigeren:

 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 9 juli 2008, met nummer 31674, opgemaakt in de wettige vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

- het hof de bewijsmiddelen aanvult met het volgende bewijsmiddel:

Een schriftelijk bescheid, zijnde een aangifte van de [bedrijf 3] (verder: de [bedrijf 3]), gevestigd te Amsterdam, van 6 september 2004 en inhoudende (AAN-03, dossiernummer 31674, p. 107, 109 en 110):

Melding bestuurder ex artikel 2a Wmz 1996:

Oplegging van straf

De economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 60.000,00, subsidiair 318 dagen hechtenis, waarvan € 20.000,00, subsidiair 135 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,00, subsidiair 365 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een beursgenoteerde onderneming gedurende bijna een jaar opzettelijk en stelselmatig wijzigingen in zijn aandelenbezit niet onverwijld gemeld bij de [bedrijf 3] ([bedrijf 3]). De verdachte is daardoor ernstig tekort geschoten in zijn wettelijke meldingsverplichtingen en het voldoen aan de financiële toezichtwetgeving. Per 1 september 2002 dienen bestuurders en commissarissen van de beursgenoteerde ondernemingen hun aandelenbezit en mutaties in aandelen in de eigen en daaraan gelieerde NV’s bij de [bedrijf 3] te melden. Deze nieuwe verplichting is uitgebreid ter kennis gebracht van betrokkenen en van een toelichting voorzien. Het doel van deze wetswijziging is het vergroten van de transparantie van zeggenschap en kapitaalbelangen in beursvennootschappen. De verdachte heeft door zijn nalatigheid deze transparantie geschaad. Het hof neemt het de verdachte met name kwalijk dat hij – nadat hij is aangemaand door de [bedrijf 3] en duidelijk was geworden dat de communicatie tussen de [bedrijf 3] en zijn bedrijfsjurist niet goed verliep – niet heeft gecontroleerd of zijn bedrijfsjurist vervolgens, zoals de verdachte haar had aangezegd, de meldingen onverwijld en juist heeft gedaan. De verdachte heeft gesteld dat hij wist en begrijpt dat hij eindverantwoordelijk is en die controle had dienen uit te voeren, maar dat hij prioriteit had gegeven aan het runnen van het in zwaar weer verkerende bedrijf. Ook thans nog acht de verdachte dat een juiste keuze en laat hij daardoor zien dat hij geen oog heeft voor het belang van de door de wetgever beoogde transparantie.

De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van het hof een hogere strafmaat dan door de rechtbank is opgelegd. Voor het opzettelijk schenden van de transparantie en de werking van de Nederlandse effectenmarkt is, in beginsel, geen andere straf dan een onvoorwaardelijke geldboete op zijn plaats. Een deels voorwaardelijke geldboete zou niet alleen een onvoldoende vergeldend karakter hebben, maar ook een onvoldoende waarschuwend effect inhouden. Men zal ervan doordrongen moeten zijn, dat schendingen van financiële toezichtwetgeving zeer wel kunnen leiden tot oplegging van een forse geldboetes.

Ten voordele van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat hij blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 november 2015 niet eerder ter zake van soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld en evenmin nadien.

Ook zal het hof ten voordele van de verdachte rekening houden met de omstandigheid dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgehad binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM. Na terugwijzing door de Hoge Raad is de zaak in hoger beroep niet binnen 2 jaren afgedaan. Een geringe overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met 3 maanden is daarvan het gevolg. Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een geldboete van

€ 100.000,00 hebben opgelegd. Gelet echter op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, acht het hof een geldboete van € 90.000,00 passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2a van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Spreekt de verdachte vrij van hetgeen hem bij wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep op 23 januari 2012 meer of anders is tenlastegelegd.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 90.000,00 (negentigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. P.C. Römer en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 december 2015.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.T. de Muinck - Dezentje

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?