Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2017.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 21 juni 2014, te Haarlem, op of aan de openbare weg, de Oude Groenmarkt, althans op enige voor het publiek toegankelijke plaats, tegen goederen baldadigheid heeft gepleegd, waardoor gevaar of nadeel kon worden teweeggebracht, bestaande die baldadigheid uit het lopen met een ijzeren (bouw)hek en/of het laten vallen van dit ijzeren (bouw)hek.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens schending van het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het openbaar ministerie conform de Halt-aanwijzing in deze zaak had moeten kiezen voor Halt-afdoening. Nu geen argumenten zijn aangevoerd waarom voor een zwaardere afdoening is gekozen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte daartoe ook geen aanleiding geven dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman verwezen naar een ‘vrijwel identieke casus’ waarin wel is gekozen voor een Halt afdoening.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de Aanwijzing Halt-afdoening en het Besluit aanwijzing Halt niet volgt dat er in de onderhavige zaak een verplichting bestond om tot Halt-afdoening over te gaan. Een vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie leent zich voor niet meer dan een marginale rechterlijke toetsing. Slechts in het uitzonderlijke geval dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, is vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Genoemde marginale toetsing is ook van belang voor de beoordeling van de door de raadsman aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, die in zijn visie eveneens tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden. Het hof is van oordeel dat ook het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. De enkele omstandigheid dat de vervolging van een persoon die werd verdacht van een soortgelijk feit, in die zaak uiteindelijk heeft geleid tot een andere afweging bij het openbaar ministerie, terwijl de vervolging in het geval van de verdachte wel is doorgezet, brengt niet mee dat de onderhavige vervolging in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. Hiervan zou slechts sprake zijn indien het openbaar ministerie van het beleid of een wettelijke bepaling afwijkt, zonder dat daarvoor enige rechtvaardiging is of indien de criteria om al dan niet tot vervolging over te gaan, berusten op oneigenlijke gronden. Dit is echter niet door de raadsman gesteld, noch is het hof hiervan gebleken.
Het hof verwerpt de verweren.
Bewijsverweer
De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, aangezien kwade wil bij de verdachte niet bewezen kan worden en het proces-verbaal geen melding maakt van enige overlast, noch van enig gevaar. Het handelen van de verdachte was niet meer dan een ‘onschuldige guiten- of kwajongensstreek’, aldus de raadsman.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat voor een bewezenverklaring van straatschenderij de kwade wil van de verdachte niet gericht hoeft te zijn op de gevolgen van zijn handelen, maar alleen op de handeling zelf. Voorts doet de enkele omstandigheid dat door het handelen van de verdachte geen gevaar of nadeel is teweeggebracht niet af aan de mogelijkheid dat dergelijk gevaar of nadeel zou zijn ingetreden. Voldoende is immers dat het beschermde belang in gevaar kón worden gebracht, niet is vereist dat er daadwerkelijk sprake is geweest van enige schade of enig nadeel. Door in de nachtelijke uren met een bouwhek tussen zichzelf en zijn vriend in te lopen en dit hek te laten vallen, hebben de verdachte en zijn vriend potentieel gevaar op de openbare weg dan wel nadeel voor de eigenaar van het hek kunnen veroorzaken. Het verweer wordt verworpen.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
De raadsman heeft bij pleidooi ‘bij wijze van voorwaardelijk verzoek’ gevraagd om ‘de vriend’ en de verbalisant als getuigen te horen.
Het hof wijst het verzoek af omdat de summiere onderbouwing van het verzoek alleen ziet op omstandigheden die zich ná de tenlastegelegde gedraging hebben voorgedaan. Een verhoor van de bedoelde getuigen is daarmee niet noodzakelijk voor beantwoording van de vraag of de tenlastegelegde gedragingen baldadigheid opleveren in de zin van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 21 juni 2014 te Haarlem, op de openbare weg, de Oude Groenmarkt, tegen goederen baldadigheid heeft gepleegd, waardoor gevaar of nadeel kon worden teweeggebracht, bestaande die baldadigheid uit het lopen met een ijzeren bouwhek en het laten vallen van dit ijzeren bouwhek.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
Straatschenderij.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf
De kantonrechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van 70 euro, subsidiair 1 dag jeugddetentie.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft in de nachtelijke uren samen met een ander een bouwhek opgepakt, waarna zij met het hek tussen hen in zijn gaan lopen over de openbare weg, met welk handelen verdachte de openbare orde heeft verstoord.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 april 2017 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.
Gelet op het tijdsverloop sinds de pleegdatum en rekening houdende met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, acht het hof, alles afwegende, een geldboete zoals door de advocaat-generaal gevorderd passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77l en 424 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 70,00 (zeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.M. Degenaar, mr. A.M. Kengen en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
4 mei 2017.
Mr. A.M. Kengen en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]