[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
adres: [adres]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten een kweektent en/of (bijbehorende) afzuig/ventilatie- en/of belichtingsapparatuur en/of (ander) toebehoren dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten een woning aan de Samenwerking, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Vrijspraak
Het hof spreekt de verdachte vrij en overweegt daartoe het volgende.
Artikel 11a Opiumwet stelt, voor zover hier van belang, strafbaar degene die (kort gezegd) voorwerpen of ruimten voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (als bedoeld in art. 11, lid 3 Opiumwet) en/of tot het plegen van grootschalige hennepteelt (als bedoeld in art. 11, lid 5 Opiumwet).
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een bestemming van voorwerpen of ruimten tot grootschalige hennepteelt.
Anders dan de advocaat-generaal en met de raadsman oordeelt het hof evenwel dat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting evenmin kan worden afgeleid dat sprake is geweest van (kortgezegd) voorwerpen of ruimten die bestemd waren tot bedrijfsmatige of beroepsmatige teelt.
Naar het oordeel van het hof is het antwoord op de vraag of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt afhankelijk van meerdere omstandigheden, zoals het aantal planten, de te behalen oogsten per jaar, het gebruik van technische hulpmiddelen, de toepassing van technologie ter vermeerdering van de opbrengst, de omvang van de teelt – mede gelet op de daarvoor noodzakelijke investeringen en risico’s – en de omstandigheden waaronder wordt gekweekt. Bedrijfsmatige of beroepsmatige teelt kenmerkt zich aldus in de kern door (beoogd) significant geldelijk gewin met een zekere duurzaamheid. In verband met de strafbaarstelling van artikel 11a Opiumwet zal voor een bewezenverklaring derhalve moeten komen vaststaan dat voorwerpen of ruimten daartoe bestemd zijn geweest.
In de onderhavige zaak zijn de navolgende – onder meer uit een slaapkamer afkomstige – voorwerpen aangetroffen:
Naar het oordeel van het hof kan de gezamenlijkheid van deze voorwerpen redelijkerwijs niet anders worden aangemerkt dan als te zijn bestemd voor de hennepteelt van een omvang die vijf planten te boven gaat (doorgenummerde p. 6-7). Die enkele omstandigheid levert naar het oordeel van het hof echter nog niet zonder meer de vereiste bestemming tot het beroepsmatige of bedrijfsmatige karakter van de beoogde hennepteelt op, zoals hiervoor bedoeld. Daarvoor is nadere steun in andere bewijsmiddelen vereist. Die steun ontbreekt hier. Uit de beschikbare stukken en het verhandelde ter terechtzitting kan immers met onvoldoende zekerheid worden afgeleid dat de aangetroffen voorwerpen bestemd waren tot significant geldelijk gewin met een zekere duurzaamheid, in aanmerking genomen de hoeveelheid voorwerpen, de aard ervan, en de aard en kennelijke omvang van te gebruiken ruimte.
Ook overigens acht het hof, anders dan de advocaat-generaal en met de raadsman, onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig voor de vaststelling dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de voorwerpen bestemd waren tot in het bijzonder die beroepsmatige of bedrijfsmatige hennepteelt.
Op grond van het voorgaande is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd. De verdachte moet daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Bek, mr. G. Oldekamp en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2017.