GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.178.533/01
zaaknummer/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/14/154647/HA ZA 14-190
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 augustus 2017
inzake
1. [eiser] ,
2. [eiseres],
beiden wonend te [woonplaats] [gemeente] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. E.A.C. Nijhof-Top te Zeewolde,
tegen
1. [verweerder] ,
2. [verweerster]
beiden wonend te [woonplaats] [gemeente] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. W.J.T. Ursem te Alkmaar.
Partijen worden hierna [eiser] en [verweerder] genoemd.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot het arrest van 31 januari 2017 verwijst het hof naar de inhoud van dat arrest.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- ( aanvullende) akte in het tweede incident na arrest van 31 januari 2017, met producties;
- ( aanvullende) antwoordakte in het tweede incident na het arrest van 31 januari 2017, met producties.
Ten slotte is wederom arrest in het tweede incident gevraagd.
2. De verdere beoordeling
In zijn voornoemde tussenarrest van 31 januari 2017 heeft het hof partijen allereerst om opheldering verzocht omtrent de vraag of de dwangsommen die krachtens het vonnis van 8 juli 2015 zijn verbeurd – in totaal ten bedrage van € 10.000,= – door [eiser] aan [verweerder] zijn betaald en, zo ja, wanneer dit is gebeurd. Beide partijen hebben hierop geantwoord dat de dwangsommen die krachtens het vonnis van 8 juli 2015 zijn verbeurd – in totaal ten bedrage van € 10.000,= – op 11 juli 2016 door [eiser] aan [verweerder] zijn betaald. Hiervan zal het hof daarom als vaststaand feit uitgaan.
In zijn voornoemde tussenarrest van 31 januari 2017 heeft het hof partijen voorts in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de consequenties voor het onderhavige geschil van wat in rechtsoverweging 3.6 van het arrest van 18 oktober 2016 is overwogen. Partijen hebben elk hun standpunt hieromtrent kenbaar gemaakt.
De eerste vraag die het hof ingevolge (rov. 2.2 van) zijn voornoemde tussenarrest van 31 januari 2017 heeft te beantwoorden is of [eiser] belang hebben bij hun tweede incidentele vordering.
[eiser] hebben in het onderhavige, tweede incident – net zoals zij in het eerste incident hebben gedaan dat heeft geleid tot het tussenarrest van 17 mei 2016 – schorsing gevorderd van de executie van het vonnis van 8 juli 2015. Nu vaststaat dat de dwangsommen die krachtens dat vonnis zijn verbeurd – in totaal ten bedrage van € 10.000,= – op 11 juli 2016 door [eiser] aan [verweerder] zijn betaald en de vordering van [verweerder] om de krachtens dat vonnis te verbeuren dwangsommen te verhogen tot een maximum van € 25.000,= bij arrest van 18 oktober 2016 (zaaknummer 200.197.947/01 SKG) is afgewezen, staat aldus vast dat het vonnis van 8 juli 2015 wat de te verbeuren dwangsommen betreft volledig ten uitvoer is gelegd. Dit betekent dat [eiser] bij hun vordering tot schorsing van de executie van voornoemd vonnis geen belang (meer) hebben als bedoeld in artikel 3:303 BW, zodat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt, en dat de standpunten van partijen omtrent de hiervoor onder 2.2 bedoelde, voor het onderhavige geschil zeer relevante vraag in de hoofdzaak zullen (moeten) worden besproken.
Uit het vorenstaande volgt dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. Het hof zal [eiser] , als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak veroordelen in de kosten van het incident.
De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol voor het indienen van een memorie van antwoord in incidenteel appel door [eiser]
3. De beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering van [eiser] af;
houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 26 september 2017 voor het indienen van een memorie van antwoord in incidenteel appel door [eiser] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en W.A.H. Melissen, en is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2017 door de rolraadsheer.