GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummers : 200.217.638/01
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/575508 / HA ZA 14-1081
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 januari 2020
inzake
1. ARCH INDUSTRIES HOLDING B.V.,
2. NOVERO INVESTMENTS B.V.,
beide gevestigd te Amsterdam,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. N.A. van Loon, advocaat te Amsterdam
betreffende het hoger beroep tussen:
RIAMO HOLDINGS GmbH,
gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),
appellante,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. M. Goorts te Eindhoven,
tegen
mr. A.J.A. JANSEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van ROTENDO INVEST B.V.,
kantoorhoudend te Amsterdam,
geïntimeerde,
verweerder in het incident,
niet verschenen.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna Arch c.s., Riamo, de curator en Rotendo genoemd.
Het hof verwijst naar het tussenarrest van 23 oktober 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:3864) waarin het procesverloop tot die datum is vermeld.
Vervolgens zijn in het incident de volgende stukken in het geding gebracht:
Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.
In haar conclusie tot voeging heeft Arch c.s., samengevat, gevorderd dat het haar wordt toegestaan om zich in deze procedure als belanghebbende partij aan de zijde van de curator te voegen. Bij conclusie tot tussenkomst heeft Arch c.s. deze conclusie ‘ingetrokken’ en heeft zij geconcludeerd:
Riamo heeft in het incident geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering tot tussenkomst, althans te oordelen dat de incidentele vordering tot tussenkomst als een incidentele vordering tot voeging beschouwd dient te worden, met hoofdelijke veroordeling van Arch c.s. in de kosten in het incident.
Riamo heeft in het incident bewijs van haar stellingen aangeboden.
2. Ontvankelijkheid in het incident
Blijkens het petitum in de conclusie tot tussenkomst is de vordering in het incident mede gericht tegen Riamo c.s. die in die conclusie wordt gedefinieerd als Riamo en/of [appellant sub 2] . Laatstgenoemde is evenwel geen partij in de hoofdprocedure. In zoverre is Arch c.s. in haar vordering niet-ontvankelijk.
3. Beoordeling in het incident
In haar conclusie tot tussenkomst heeft Arch c.s. haar conclusie tot voeging ingetrokken en geconcludeerd als hierboven vermeld. Gelet op de inhoud van de conclusie tot tussenkomst merkt het hof het petitum daarvan aan als een eiswijziging en zal het recht doen op basis van de hierboven weergegeven eis.
Arch c.s. stelt belang te hebben bij tussenkomst vanwege het nadeel dat zij van de uitspraak in de hoofdzaak zou kunnen ondervinden, alsmede vanwege het risico van tegenstrijdige uitspraken in de hoofdzaak en een met de hoofdzaak verwante zaak tussen Riamo (als appellante) en Arch c.s., 1080 Investments B.V. en de vennootschap naar vreemd recht DP Holding S.A. (in liquidatie) (geïntimeerden), op dit moment onder zaaknummer 200.211.940/01 bij dit hof aanhangig (hierna: de schadevergoedingsprocedure). Arch c.s. stelt erbij belang te hebben dat wordt vastgesteld dat het verkoopbesluit en het goedkeuringsbesluit (als gedefinieerd in het tussenarrest) rechtsgeldig zijn. Zij wenst daarom een verklaring voor recht te vorderen dat deze besluiten rechtsgeldig zijn. Arch c.s. voert aan dat het risico op tegenstrijdige uitspraken reëel is, nu zowel in de hoofdzaak als in de schadevergoedingsprocedure dezelfde bewijskwestie aan de orde is.
Met Arch c.s. is het hof van oordeel dat zij belang heeft in de hoofdzaak te interveniëren, nu zij de nadelige gevolgen kan ondervinden van een vernietiging van het verkoop- en/of goedkeuringsbesluit. Die vernietiging zou immers erga omnes werken en derhalve ook (direct of indirect) jegens haar als (partij verbonden aan Arch, de) 50%-aandeelhouder van Rotendo. Weliswaar worden in de hoofdzaak en in de schadevergoedingsprocedure niet dezelfde vorderingen ingesteld, tussen beide zaken bestaat wel grote (feitelijke) samenhang, terwijl in beide zaken nagenoeg dezelfde bewijsopdracht is gegeven. Aldus ondervindt Arch c.s. de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in de hoofdprocedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in de hoofdprocedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben.
De vordering die Arch c.s. als tussenkomende partij stelt te willen instellen, vormt het spiegelbeeld van de vordering van Riamo in de hoofdzaak. Daarin vordert Riamo namelijk vernietiging van het verkoop- en het goedkeuringsbesluit. Toewijzing van de vordering van Riamo zou impliceren dat de vordering die Arch wenst in te stellen niet kan worden toegewezen. Bij gebreke van aanknopingspunten dat de geldigheid van het verkoop- en het goedkeuringsbesluit elders ter discussie is gesteld, moet worden aangenomen dat het omgekeerde ook zou gelden: de afwijzing van de vordering van Riamo in de hoofdprocedure impliceert in beginsel de geldigheid van deze besluiten. In zoverre kan niet worden geoordeeld dat Arch c.s. voldoende belang heeft met een zelfstandige vordering tussen te komen in de hoofdprocedure.
Gelet op de onderbouwing komt de vordering in het incident erop neer dat Arch c.s. zich wenst te voegen aan de zijde van de curator. De reden dat zij thans vordert tussen te komen en dat zij niet vordert te worden toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de curator is blijkens de conclusie tot tussenkomst erin gelegen dat zij bij nader inzien meent dat voeging aan de zijde van een niet verschenen partij niet mogelijk is.
Die veronderstelling is evenwel onjuist, zo ligt besloten in HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:791 (vgl. ook de conclusie van AG Wesseling-van Gent onder 2.10-2.12). Naar het oordeel van het hof is voeging niet in strijd met de goede procesorde en, gelet op het vorenstaande, in dit geval de geëigende figuur. Het hof zal Arch c.s. daarom toelaten als gevoegde partij aan de zijde van de curator.
Het hof verzoekt Riamo om op eerste verzoek (en in elk geval binnen zeven dagen na betekening van dit arrest) een kopie van het procesdossier aan (de advocaat van) Arch c.s. te doen toekomen. Het hof ziet geen aanleiding te veronderstellen dat Riamo hieraan geen gehoor zou geven en acht een dwangsomveroordeling daarom niet gepast. Arch c.s. zal vervolgens de gelegenheid krijgen om op 3 maart 2020 een akte te nemen. Het hof houdt een beslissing over de proceskosten aan totdat in de hoofdzaak zal zijn beslist.
4. Beslissing in het incident
Het hof:
verklaart Arch c.s. in haar vordering niet-ontvankelijk voor zover deze is gericht tegen [appellant sub 2] ;
staat Arch c.s. toe om zich in de hoofdprocedure te voegen aan de zijde van de curator;
veroordeelt Riamo om binnen zeven dagen na betekening van dit arrest een kopie van het procesdossier aan Arch c.s. te doen toekomen;
verwijst de zaak naar de rol van 3 maart 2020 voor het nemen van de onder 3.6 bedoelde akte;
houdt iedere verdere beslissing aan;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, W.A.H. Melissen en J.M. de Jongh en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2020.