ECLI:NL:GHAMS:2020:2932

ECLI:NL:GHAMS:2020:2932, Gerechtshof Amsterdam, 03-11-2020, 200.257.918/01

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 03-11-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.257.918/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2019:3981
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2020:1843
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005289

Samenvatting

Regres brandverzekeraar. Een door twee opvolgende aannemers aangebracht rookgasafvoerkanaal voldoet niet aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, doordat dit niet is omkokerd en onvoldoende afstand is aangehouden tot brandbare delen. Volgens meerdere deskundigen is de brand ontstaan door pyrolyse. Er is oorzakelijk verband tussen het ontstaan van de brand en het aanleggen van het rookgasafvoerkanaal in strijd met de veiligheidsvoorschriften. De verantwoordelijkheid van de afbouwer met betrekking tot de veiligheidsvoorschriften omvat mede dat hij zich, binnen de grenzen van wat zichtbaar is, ervan vergewist dat het door zijn voorganger gebouwde deel voldoet aan de daaraan gestelde eisen en dat hij zelf de nodige veranderingen aanbrengt of de opdrachtgever waarschuwt indien dat niet het geval is. In dit geval was met het blote oog zichtbaar dat onvoldoende afstand van het niet-omkokerde rookgasafvoerkanaal tot de brandbare delen in acht was genomen. De afbouwer is hoofdelijk aansprakelijk voor de door de brand veroorzaakte schade.

Uitspraak

3. CONSTRUCTIE

(…)

Haard

Afgaande op de thermometer die was geplaatst in de rookgasafvoer, was de haard die is geplaatst in de Woning een speksteenkachel van het merk Altech. De temperatuur van rookgassen van dergelijke kachels is bij nominale belasting ca. 280oC. Echter, de rookgastemperaturen kunnen door het hoog opstoken van een dergelijke kachel aanmerkelijk hoger worden dan 280oC. NEN 6062:1991 schrijft voor dat een (dubbelwandig) rookgaskanaal aangesloten op een dergelijke haard een continue bedrijfstemperatuur van 600oC moet kunnen doorstaan (T600).

(…)

Schoorsteen

De haard was aangesloten op een gemetselde schoorsteen die tot de balkenlaag van de zolder liep (…)

In de schoorsteen was de haard aangesloten op een enkelwandige flexibele RAK (…) dat overgaat in een (door [appellant] aangebracht) dubbelwandig geïsoleerde RAK van het merk Holetherm met een lengte van 1 meter (...). Bij de overgang van het enkelwandige naar het dubbelwandige deel van het RAK is de ruimte tussen het RAK en de schoorsteen met vuurvast cement gevuld (...). [appellant] heeft het dubbelwandig RAK (Holetherm) aangesloten op het bestaande, door [X] geplaatste RAK (…).

Constructie RAK vanaf het dak naar beneden tot door de zolder

Het RAK is blijkens de typeaanduiding van het merk Schiedel (…).

Uit de typeaanduiding van het RAK blijkt dat het gaat om het type T450[…]G75. Hieruit valt af te leiden dat dit RAK geschikt is voor een continue bedrijfstemperatuur van 450 oC (‘T450’). Daarnaast valt uit de typeaanduiding af te leiden dat de minimale afstand van brandbare materialen tot de RAK 75 millimeter moet bedragen (‘G75’) om een schoorsteenbrand te doorstaan (‘G’) en dat deze afstand dus bij montage van brandbare materialen in acht moet worden genomen.

Het RAK had een binnendiameter van 200 millimeter. De Buitendiameter van een dergelijk kanaal van Schiedel is 260 millimeter.

(…)

4. BEVINDINGEN

(…)

Beide onderzoeksbureaus [Biesboer en Gorissen en Van der Zande – hof], en ook Clensch, gaan ervan uit dat zowel onder de vloer van de zolder als in het dak van de zolder een brand heeft gewoed.

Brand onder de vloer van de zolder

De brand onder de vloer van de zolder is vrijwel zeker ontstaan doordat het spaanplaat waarop de verdiepingsvloerondersteuning was geplaatst is ontstoken.

Aangezien het spaanplaat voor een belangrijk deel, weliswaar verkoold, nog op de vloer van de zolder aanwezig is, gaat Clensch ervan uit dat de verbranding aan de onderzijde van het spaanplaat heeft plaatsgevonden.

(…)

De enige hittebron ter plaatse van het ontstaan van de brand is het dubbelwandige RAK. De vloerdoorvoer van dit RAK voldeed niet aan de van toepassing zijnde NEN norm 6062:1991, zowel niet op het punt van de minimale afstand tot brandbare materialen (spaanplaat) zijnde minder dan 75 millimeter, als op het punt van de thermische belastbaarheid van het RAK, zijnde minder dan 600 oC (T450). Daardoor kan, zowel onder ‘normale bedrijfsomstandigheden’ als extreme omstandigheden (schoorsteenbrand) de temperatuur van de buitenkant van het RAK hoger oplopen dan het geval zou zijn geweest bij toepassing van een RAK met typeaanduiding T600.

(…)

5. CONCLUSIES

Er was sprake van twee branden in de Woning (één onder de vloer van de zolder en één in het dak), die beide zijn ontstaan in de directe omgeving van het RAK. De afstand tussen het RAK en brandbare materialen was op beide ontstaanslocaties onvoldoende. Geen van de ontstaanslocaties kennen een andere nabij aanwezig energiebron dan het RAK. Beide branden zijn dus ontstoken door thermische energie afkomstig van het RAK.

De constructie van het RAK vanaf de vloer van de zolder tot en met de doorvoer in het dak voldeed niet aan de normen en eisen die aan een dergelijk RAK worden gesteld;

- Er was onvoldoende afstand (minder dan 75 millimeter) tussen het RAK en brandbare materialen, te weten;

o spaanplaat in de zoldervloer,

o hout, isolatiemateriaal en dampopen folie in de dakconstructie.

- Op de zolder voldeed het RAK niet aan de afstand/de eis dat deze geschikt moest zijn voor een afstand van 0 millimeter tot brandbare materialen.

- Er was onvoldoende thermische prestatie van het RAK, doordat gebruik was gemaakt van een RAK met typeaanduiding T450 in plaats van T600. De temperatuur aan de buitenkant van een RAK met typeaanduiding T450 wordt bij bepaalde temperaturen van de rookgassen hoger dan bij een RAK met typeaanduiding T600.

- Er waren geen maatregelen genomen die waarborgen dat brandbare materialen op voldoende afstand van het RAK worden geplaatst (omkokering).

Omdat de brand klaarblijkelijk gelijktijdig op twee plaatsen is ontstoken, moet er sprake zijn geweest van een abnormale bedrijfssituatie, dat wil zeggen dat de temperaturen van de rookgassen veel hoger dan 280 oC moeten zijn geweest. Dit kan alleen een schoorsteenbrand zijn geweest.

Achmea heeft zowel [X] als [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade.

3. Beoordeling

Achmea heeft [X] en [appellant] in rechte betrokken en heeft gevorderd dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot schadevergoeding, bestaande uit verschillende schadeposten, in hoofdsom optellend tot een bedrag van € 214.242,98, telkens te vermeerderen met wettelijke rente, met nevenvorderingen.

Aan haar vorderingen heeft Achmea samengevat het volgende ten grondslag gelegd. [X] zou zorgdragen voor een rookgasafvoer door het dak. Met [appellant] is afgesproken dat hij de afbouw van het RAK en de aansluiting op de kachel zou verzorgen. Vast staat dat geen deugdelijk RAK tot stand is gekomen. [X] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door een niet-brandveilig RAK te installeren. Ook [appellant] heeft te weinig ruimte gelaten tussen het RAK en de door hem gelegde planken vloer op zolder. Bovendien heeft [appellant] isolatiemateriaal aangebracht in de nabijheid van het RAK. Voorts

was hij op grond van art. 7:954 BW gehouden [A] te waarschuwen voor de onjuiste wijze waarop het eerste deel van het RAK door [X] was afgelegd.

In het tussenvonnis van 4 april 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de brand is ontstaan rondom het RAK ter hoogte van de doorvoer van de zoldervloer en gelijktijdig of binnen korte tijdspanne van elkaar ook bij of in de houten dakbalk, die ter plaatse van de dakdoorvoer tot tegen de rookgasafvoer aankwam doordat het rookafvoerkanaal zonder omkokering en niet op de minimaal voorgeschreven afstand tot brandbare materialen was geplaatst (rov. 4.9). Op basis van de rapporten van de experts van Achmea en [appellant] heeft de rechtbank geoordeeld dat (i) het rookkanaal boven het plankenhouten plafond niet voldeed aan de thermische isolatienorm die geldt voor het gebruik van rookkanalen zonder meer, (ii) het niet was voorzien van omkokering, (iii) de verdiepingsondersteuning direct op de zoldervloer was gemonteerd en (iv) pal naast de rookgasafvoer een houten balk in het scharnierdak was opgenomen en dat tussen de afvoerpijp en de balk een te korte afstand was opgenomen. (rov. 4.11 en 4.12)

Vervolgens heeft de rechtbank de aansprakelijkheid van [appellant] beoordeeld. De rechtbank overweegt dat de onderhavige situatie zich kenmerkt doordat twee opvolgende aannemers werken aan één functioneel, op zichzelf staand geheel, in een meeromvattend bouwwerk. In die situatie heeft de opvolgend aannemer een zekere verantwoordelijkheid voor de deugdelijkheid van het functionele geheel. Waar het gaat om de naleving van de veiligheidsvoorschriften omvat die verantwoordelijkheid onder meer dat de afbouwer zich, binnen de grenzen van wat zichtbaar is, ervan vergewist dat het door de voorganger gebouwde deel aan de eisen die daaraan gesteld zijn voldoet en zelf de nodige veranderingen aanbrengt of de opdrachtgever waarschuwt dat dit niet het geval is. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de op [appellant] rustende zorgplicht mee dat hij het door hem gebouwde deel van het RAK niet had mogen aansluiten op het reeds aanwezige deel, zonder ervoor te zorgen dat dit deel hetzij werd omkokerd, hetzij voldoende afstand had tot brandbare materialen. Aan deze zorgplicht heeft hij niet voldaan (rov. 4.19/4.20). De betwisting van de causaliteit tussen het nalaten van [appellant] en de schade heeft de rechtbank verworpen (rov. 4.22). De rechtbank acht de schadevordering van Achmea met betrekking tot de schade van de brand in beginsel tegen [X] en [appellant] toewijsbaar. Zij zijn hoofdelijk verbonden (rov. 4.25).

In het eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen jegens [X] en [appellant] grotendeels toegewezen.

Zowel [X] als [appellant] hebben hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 30 juni 2020 heeft dit hof het vonnis, voor zover gewezen tussen Achmea en [X] , bekrachtigd.

Tegen de onder 3.2 weergegeven beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met negen grieven op.

[appellant] stelt allereerst dat het brandonderzoek door Biesboer en Gorissen & Van der Zande onvoldoende is geweest. In het bijzonder is verzuimd onderzoek te doen naar de vraag of sprake kan zijn geweest van een schoorsteenbrand, die kan zijn ontstaan door fouten bij het stoken, een constructiefout in de kachel of achterstallig onderhoud van het schoorsteenkanaal. Tevens is verzuimd onderzoek te doen naar andere alternatieve oorzaken zoals het stookgedrag van [A] en brandstichting. De rechtbank had dan ook niet de conclusie van de onderzoekers mogen overnemen ten aanzien van de oorzaak van de brand.

Voorts ontkent [appellant] dat hij, als onderdeel van de op hem rustende zorgplicht de verantwoordelijkheid draagt voor de deugdelijkheid van het RAK als geheel. De zorgplicht van [appellant] was beperkt tot de aan hem gegeven opdracht, te weten het opmetselen van een schoorsteenkanaal. [appellant] erkent dat op hem een waarschuwingsplicht rustte, maar hij stelt daaraan te hebben voldaan door [A] te wijzen op het feit dat de door [X] gemaakte doorvoeren aan de krappe kant waren en dat bij het proefstoken het RAK halverwege de verdiepingsvloer en het dakbeschot wat warmer was. [appellant] wijst erop dat de door hem verrichte werkzaamheden niet tot de brand hebben geleid. Hij meent verder dat niet aan schuldvereiste is voldaan als bedoeld in de Bedrijfsregeling Brandregres 2000.

Voorts betoogt [appellant] dat er sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van [A] , althans dat de vergoedingsplicht is beperkt op grond van artikel 6:101 lid 1 BW. [A] heeft immers conform artikel 7:758 BW het werk zonder voorbehoud aanvaard, zodat dit als opgeleverd moet worden beschouwd. Daarmee is [appellant] op grond het derde lid van dat artikel ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken, die [A] had moeten ontdekken.

[appellant] concludeert dat er geen hoofdelijke aansprakelijkheid is en tot slot betwist hij de schadeposten ter zake van de deskundigenrapportage, de waardevermindering en de wettelijke rente.

Oorzaak van de brand

Het hof overweegt ten aanzien van de oorzaak van de brand als volgt. Zowel Biesboer als Gorissen & Van der Zande hebben in hun rapport vastgesteld dat het aangelegde RAK niet voldeed aan de voorgeschreven veiligheidseisen. In het Bouwbesluit zijn in het kader van de brandveiligheid regels gesteld omtrent het gebruik van onbrandbaar materiaal voor de afvoervoorziening van rookgassen. Volgens deze regels mag de maximale temperatuurstijging van de buitenzijde van het afvoerkanaal niet meer dan 75 ºC bedragen (bij een omgevingstemperatuur van 20 ºC is dat dus 95 ºC). In het rapport van Gorissen & Van der Zande is beschreven dat uit proeven van TNO blijkt dat alleen de afvoerkanalen van het merk Isoduct aan de NEN-norm voor brandveiligheid voldoen. Voor alle andere kanalen geldt dat deze een extra onbrandbare omkokering moeten krijgen om aan de eis te voldoen, of op voldoende afstand tot brandbare materialen moeten worden geplaatst. De installatievoorschriften van de diverse fabrikanten vermelden welke minimale afstand moet worden aangehouden tot brandbare materialen. Uit het rapport van Clensch volgt dat het door [X] aangelegde RAK van het merk Schiedel, type T450 is, met vermelding G75, hetgeen erop duidt dat de minimale afstand tot brandbare materialen 75 mm dient te zijn.

Biesboer en Gorissen & Van der Zande stellen vast dat [X] bij het aanbrengen van de rookgasafvoer een gat heeftgezaagd in de zoldervloer, met een uitsparing die maar iets groter dan de buitendoorsnede van de dubbelwandige pijp. Ook bij de dakdoorvoer was het afvoerkanaal op korte afstand van een balk geplaatst, zonder verdere afscherming of omkokering. Deze feitelijke constateringen leiden tot de conclusie dat de wijze waarop het RAK was aangebracht (niet omkokerd, en zonder afscherming op zeer geringe afstand tot brandbare delen gemonteerd) in strijd was met de brandveiligheidsregels.

Beide deskundigen concluderen dat de brand op twee plaatsen rondom het rookgasvoerkanaal is ontstaan, te weten in de balklaag en de vloer van de zolder en in de balken van het dak en het dakbeschot. Blootstelling van de houten delen aan grote hitte heeft geleid tot het verkolen en gloeien van het hout, dat op enig moment overgegaan is in een vlammende brand. Dit proces wordt pyrolyse genoemd. Zij zijn het erover eens dat er een causaal verband aanwezig is tussen het niet voldoen aan de installatievoorschriften en het ontstaan van de brand.

Ook in het door [appellant] in het geding gebrachte rapport van Clensch wordt vastgesteld dat de geldende veiligheidsvoorschriften niet zijn nageleefd en dat de beide branden zijn ontstoken door thermische energie afkomstig van het RAK. Het hof stelt dan ook vast dat alle deskundigen het erover eens zijn dat de brand op twee locaties is ontstaan als gevolg van pyrolyse, doordat het RAK was aangelegd zonder omkokering, op onvoldoende afstand van brandbare delen.

[appellant] heeft als bezwaar tegen de rapporten van Biesboer en Gorissen & Van der Zande aangevoerd dat de onderzoekers de mogelijkheid van een schoorsteenbrand niet hebben onderzocht en om die reden niet hebben kunnen concluderen dat de brand is ontstaan als gevolg van de onjuiste installatie van het RAK. Dat bezwaar wordt verworpen. De hiervoor bedoelde, niet in acht genomen brandveiligheidsmaatregelen hebben immers tot doel, om ook bij hoge temperaturen in het afvoerkanaal, zoals die zich kunnen voordoen bij een schoorsteenbrand, te voorkomen dat nabijgelegen brandbare materialen kunnen gaan gloeien en vlamvatten. Daartoe schrijft NEN-6062 voor (onder 6.4.1. Criteria –Thermische isolatie) dat de maximale temperatuurstijging gedurende de thermische proef, die zowel onder extreme als onder normale gebruiksomstandigheden wordt uitgevoerd, niet meer dan 75 ºC mag bedragen. Weliswaar heeft [appellant] gesteld, met verwijzing naar het rapport van Clensch, dat een schoorsteenbrand moet hebben gewoed, maar daarmee heeft hij niet de conclusie weerlegd dat de brand heeft kunnen ontstaan door de onjuiste installatie van het RAK. Immers niet is aangevoerd dat, indien bedoelde NEN-voorschriften wel zouden zijn nageleefd, de brand niettemin zou zijn ontstaan in het geval zich een schoorsteenbrand zou hebben voorgedaan. Dit volgt ook niet uit het rapport van Clensch.

Het voorgaande brengt mee, dat zelfs indien de onderzoekers de mogelijkheid van een schoorsteenbrand niet zouden hebben onderzocht, hetgeen Achmea ontkent, zulks niet afdoet aan de conclusie van de onderzoekers dat de brand is ontstaan als gevolg van de ondeugdelijke aanleg van het RAK. Het verweer dat de onderzoekers het stookgedrag van [A] niet hebben onderzocht faalt eveneens. Ook indien dit stookgedrag een schoorsteenbrand in de hand zou hebben gewerkt, wordt daarmee de causale keten niet doorbroken. [appellant] heeft, in het licht van het voorgaande, voorts niet toegelicht waarom het van onzorgvuldigheid blijk zou geven dat geen onderzoek is gedaan naar de constructie en het type van de haard, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Hetzelfde geldt voor het verwijt dat geen nader onderzoek is gedaan naar de omstandigheid dat de brand min of meer tegelijkertijd is ontstaan op twee locaties. Met name is niet toegelicht waarom die omstandigheid niet met de conclusie van de onderzoekers zou zijn te rijmen. Het hof verwerpt voorts het verweer dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar mogelijke brandstichting, reeds nu [appellant] niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat daarvoor aanwijzingen zouden bestaan.

Het hof gaat dan ook, net als de rechtbank, ervan uit dat de brand heeft kunnen ontstaan door het niet naleven van de veiligheidsvoorschriften, inhoudende dat voldoende afstand moet worden aangehouden tot brandbare delen, dan wel het RAK omkokerd moet worden.

Aansprakelijkheid

Weliswaar staat vast dat [appellant] eerdergenoemde veiligheidsvoorschriften heeft overtreden door de plankenvloer op te korte afstand van het RAK aan te leggen, maar tussen partijen is niet in geschil dat deze schending in dit geval niet tot de brand heeft geleid. Hetzelfde geldt voor het door hem aangebrachte isolatiemateriaal. Deze tekortkomingen leiden dan ook niet tot aansprakelijkheid van [appellant] .

De vraag die partijen verdeeld houdt is of op [appellant] de verplichting rustte om ervoor te zorgen dat het reeds door [X] aangebrachte deel van het RAK alsnog omkokerd werd, dan wel om de opdrachtgever ervoor te waarschuwen dat het RAK niet aan de veiligheidsvoorschriften voldeed. Die vraag wordt bevestigend beantwoord.

Het hof overweegt in dat verband dat [X] de woning casco had opgeleverd, waarbij een deel van het RAK was aangelegd, en dat de opdracht aan [appellant] was om – onder meer – het schoorsteenkanaal af te bouwen. Ter uitvoering van die opdracht heeft [appellant] het door hem aangebrachte deel van het rookkanaal aangesloten op het door [X] aangebrachte deel. Tevens heeft hij de plankenvloer gelegd en aangesloten op het RAK. Van een aannemer die werkzaamheden verricht aan een RAK mag worden verlangd dat hij op de hoogte is van de daarvoor geldende veiligheidsvoorschriften. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verantwoordelijkheid van [appellant] als afbouwer met betrekking tot de veiligheidsvoorschriften mede omvat dat hij zich, binnen de grenzen van wat zichtbaar is, ervan vergewist dat het door de voorganger gebouwde deel voldoet aan de daaraan gestelde eisen en dat hij zelf de nodige veranderingen aanbrengt of de opdrachtgever waarschuwt indien dat niet het geval is. In dit geval was met het blote oog zichtbaar dat onvoldoende afstand van het niet-omkokerde RAK tot de brandbare delen in acht was genomen. [appellant] heeft dat kunnen waarnemen op het moment dat hij het door hem aangebrachte RAK aansloot op het door [X] aangebrachte RAK en zeker op het moment dat hij de plankenvloer aanlegde. Op dat moment was immers duidelijk waarneembaar dat de afstand tussen het RAK en de spaanplaten vloer minder dan 2 cm was.

Voor zover [appellant] meent dat hem in dit opzicht geen schuld treft, omdat hij, als niet-specialist, niet op de hoogte was van de geldende NEN-voorschriften, kan hij daarin niet worden gevolgd. Als gezegd mag van een aannemer die werkzaamheden aan een RAK verricht, worden verlangd dat hij zich op de hoogte stelt van alle daarop toepasselijke veiligheidsvoorschriften. Het zonder de benodigde kennis verrichten van dergelijke werkzaamheden, zeker gelet op de daarmee gemoeide veiligheidsrisico’s, moet zonder meer als onzorgvuldig worden gekwalificeerd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant] gesteld dat hij zich had geïnformeerd over de in acht te nemen afstand, door raadpleging van collega-aannemers, die hem verzekerden dat 2 cm voldoende was. Deze stelling wordt als strijdig met de tweeconclusieregel buiten beschouwing gelaten, evenals de aan die stelling verbonden conclusie dat deze veiligheidsregel in het veld geen bekendheid zou genieten, wat daar overigens ook van zij.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op [appellant] de plicht rustte om ervoor zorg te dragen dat het door [X] aangelegde RAK alsnog aan de veiligheidsvoorschriften voldeed, dan wel dat hij [A] had moeten waarschuwen dat dit niet het geval was. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij aan die waarschuwingsplicht heeft voldaan. Zo al moet worden aangenomen dat hij tegen [A] heeft gezegd dat de uitsparingen aan de krappe kant waren en dat het RAK op een bepaald punt te warm werd, kan dit niet als een voldoende waarschuwing worden beschouwd. Immers, niet is gesteld dat hij [A] erop heeft gewezen dat die afstand (zowel in de verdiepingsvloer als bij de dakdoorvoer) tenminste 75 mm moest zijn om aan de voorschriften te voldoen. Daarmee heeft hij onvoldoende gedaan om te bewerkstelligen dat alsnog aan de vereiste veilige afstand zou worden voldaan.

Het hof stelt vast dat [appellant] zijn zorgplicht heeft geschonden. Anders dan [appellant] betoogt, staat deze schending in causaal verband tot de brand. Immers, in het geval [appellant] zelf had zorggedragen voor het voldoen aan de veiligheidsvoorschriften, dan wel – adequaat – had gewaarschuwd dat de vereiste afstand niet in acht was genomen, zodat [A] daartoe alsnog opdracht had kunnen geven, dan zou de brand niet zijn ontstaan. [appellant] is daarmee aansprakelijk voor de schade die [A] heeft geleden als gevolg van de brand.

Hoofdelijkheid

Nu zowel [X] als [appellant] aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, te weten de schade als gevolg van de brand, is sprake van hoofdelijkheid als bedoeld in artikel 6:102 BW. Voor zover [appellant] klaagt over de hoofdelijke veroordeling faalt daarmee zijn grief.

Oplevering/ Rechtsverwerking/Eigen schuld

[appellant] beroept zich voorts op het feit dat het werk als opgeleverd moet worden beschouwd, waarmee zijn aansprakelijkheid voor gebreken zou zijn komen te vervallen. Nu [A] het gebrek, bestaande uit het niet in acht nemen van de vereiste afstand, daadwerkelijk zou moeten hebben opgemerkt, maar heeft nagelaten daartegen op te treden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [appellant] daarvoor alsnog aansprakelijk te stellen. Er is volgens [appellant] sprake van rechtsverwerking, althans moet het falend toezicht van [A] aan hem worden toegerekend op grond van artikel 6:101 BW.

Het hof verwerpt deze verweren. Ingevolge artikel 7:758 lid 3 BW is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Van een dergelijk gebrek is in dit geval evenwel geen sprake. Van een opdrachtgever kan immers redelijkerwijs niet worden verlangd dat hij bij de opleveringskeuring onderkent dat de aannemer niet het juiste materiaal heeft gebruikt voor het RAK om zonder omkokering aan de voorgeschreven NEN-norm voor brandveiligheid te voldoen, danwel dat de door de aannemer aangehouden afstand niet aan die norm voldeed. [A] kan dan ook niet geacht worden dat gebrek te hebben aanvaard. Evenmin kan worden geconcludeerd dat het ontstaan van de brand is ontstaan door een omstandigheid die aan hem kan worden toegerekend.

Schadeposten

[appellant] betwist dat de kosten, samenhangend met het toedrachtsonderzoek en het schadevaststellingsrapport, voor toewijzing in aanmerking komen. Hij voert daartoe aan dat deze kosten door Achmea zelf zijn gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade, zodat het gaat om eigen schade die zij niet kan verhalen op [appellant] . Niet is gebleken dat [appellant] jegens Achmea onrechtmatig heeft gehandeld.

Dit verweer faalt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2003:AI0894) volgt dat het verhaalsrecht van de verzekeraar ertoe strekt te voorkomen dat degene die schade heeft veroorzaakt, aan zijn verplichting tot vergoeding van de schade ontkomt en ervan profiteert dat de door hem veroorzaakte schade wordt vergoed door de verzekeraar van degene die de schade heeft geleden. Als Achmea als verzekeraar verhaal neemt, komen daarom de in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW vermelde redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, indien deze kosten, als zij door [A] zouden zijn gemaakt, onder deze bepaling zouden vallen.

De gevorderde expertisekosten zien op het toedrachtsonderzoek en de vaststelling van de schade. Niet is gesteld dat het niet redelijk zou zijn dat daartoe een expert is ingeschakeld, terwijl de redelijkheid van de omvang van de gemaakte kosten op zichzelf evenmin is bestreden. Gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade kunnen deze kosten ook aan [appellant] worden toegerekend. Hij heeft onvoldoende aangevoerd om te kunnen aannemen dat de geclaimde kosten niet voor vergoeding in aanmerking zouden zijn gekomen als deze door [A] zelf zouden zijn gemaakt. [appellant] kan dan ook niet profiteren van het feit dat de kosten niet door [appellant] , maar door Achmea als de verzekeraar van [A] zijn gemaakt.

[appellant] betwist de vordering van € 8.250 betreffende de waardevermindering van de woning, omdat deze vordering volgens hem onvoldoende is onderbouwd.

Achmea heeft ter toelichting op deze schadepost gesteld dat met [A] is overeengekomen om – te besparing van kosten – bepaalde zaken niet te laten herstellen, hoewel deze wel beschadigd waren. Het ging daarbij om vloerdelen, plafonddelen en een tegelvloer met keramische tegels. Zij heeft deze schade onderbouwd door overlegging van foto’s. De waardevermindering als gevolg van de beschadiging van deze zaken is door de schade-expert geschat op € 8.250. Volgens Achmea is daarmee een kostenbesparing gerealiseerd ten opzichte van de situatie waarin deze schade zou zijn hersteld.

Door [appellant] is de beschadiging van bedoelde zaken niet weersproken. Evenmin is betwist dat deze zaken door die beschadiging in waarde zijn verminderd. [appellant] heeft voorts geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat de geschatte omvang van deze waardevermindering onjuist zou zijn. Ook dit verweer faalt.

Tot slot grieft [appellant] tegen toewijzing van de wettelijke rente vanaf het moment dat Achmea de uitkering heeft verricht. Zij stelt daartoe dat de wettelijke rente niet op dat moment opeisbaar is, maar op het moment dat [X] in verzuim is geraakt. Ook deze grief faalt.

Bij subrogatie door een verzekeraar in de verhaalsrechten van een benadeelde jegens een derde die zien op verbintenissen tot schadevergoeding op grond van artikel 6:74 lid 1 BW, treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in vanaf het tijdstip van subrogatie zowel ten aanzien van hetgeen door de gesubrogeerde verzekeraar aan de verzekerde is vergoed, inclusief vergoede rente, als ten aanzien van de door de verzekeraar gevorderde rente daarover (ECLI:NL:HR:2006:AX6737).

De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing in deze zaak kunnen leiden en worden daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.

De slotsom luidt dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. De kosten van het incident tot voeging zullen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

4. Beslissing

Het hof

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Achmea begroot op € 5.382 aan verschotten en € 11.757 voor salaris en op € 157 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

compenseert de proceskosten in het incident tot voeging, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. de Jongh, J.F. Aalders, en M. Kremer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?