ECLI:NL:GHAMS:2020:330

ECLI:NL:GHAMS:2020:330, Gerechtshof Amsterdam, 31-01-2020, 23-000867-18 (ontneming)

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 31-01-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23-000867-18 (ontneming)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

ontneming gebaseerd op valse arbeidsovereenkomsten. Wederrechtelijk verkregen voordeel en betalingsverplichting ad € 38.218,00.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000867-18 (ontneming)

datum uitspraak: 31 januari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 13-710007-12 tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 138.163,37, hetgeen de officier van justitie bij conclusie van repliek van 16 januari 2018 heeft verlaagd tot een bedrag van € 113.138,37.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2017 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 2 maart 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 113.138,37 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

Op 20 september 2019 is namens de verdachte het hoger beroep tegen het vonnis van 19 oktober 2017 (strafzaak) ingetrokken, waarmee het vonnis in de strafzaak onherroepelijk is geworden.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 38.218,16 (afgerond: € 38.218,00) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de berekening van dit bedrag is rekening gehouden met de omstandigheid dat de feiten gedeeltelijk dateren van vóór de wetswijziging van artikel 36e Sr, waarbij uit het derde lid de verplichting om een strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) te starten is geschrapt. Voor de periode van 1 mei 2010 tot 1 juli 2011 is daarom het oude artikel 36e Sr van toepassing. Nu er geen sfo heeft plaatsgevonden, is artikel 36e, tweede lid, Sr (oud) van toepassing. Voor de in dat artikel genoemde “soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem [haar] zijn begaan” zitten in het dossier geen aanwijzingen. De ontneming moet daarom gebaseerd zijn op de valsheid in geschrift. Deze valsheid betreft een arbeidsovereenkomst van de betrokkene met [bedrijf] voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar van 1 mei 2010 en de verlenging daarvan van 15 april 2011. Op basis van deze arbeidsovereenkomsten heeft de betrokkene salaris ontvangen van ongeveer € 1.900,00 per maand gedurende 20 maanden (ten laste gelegde periode), hetgeen in totaal € 38.218,16 is. Nu nergens uit blijkt dat zij die inkomsten anders ook zou hebben verkregen, betreft het genoten salaris wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomsten voor de betrokkene.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen. Hiertoe heeft de raadsman – samengevat – betoogd dat in deze zaak geen wederrechtelijk voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit (valsheid in geschrift). Over het geld dat het bedrijf overmaakte naar de betrokkene werd belasting betaald (het betrof geen “zwart” geld). Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het doel van de ontnemingsmaatregel rechtsherstel is, maar dat in deze zaak niets te herstellen is, omdat niemand is benadeeld. Het is niet aan de Staat om alsnog geld af te pakken met het kennelijke argument dat als ergens niet voor gewerkt is, er ook geen recht is op geld.

Indien het hof niet beslist tot afwijzing van de vordering, dan heeft de raadsman verzocht [getuige 1] en [getuige 2] op te roepen als getuigen teneinde deze te horen over – kort gezegd – de schuld van [getuige 2] aan [getuige 1], die [getuige 2] afbetaalde door geld over te maken aan betrokkene (in plaats van rechtstreeks aan [getuige 1]).

Het hof honoreert de vordering van de advocaat-generaal en schat het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op (afgerond): € 38.218,00. Blijkens het overzicht “salarisontvangsten vanuit schoonmaakbedrijf” op rekeningnummer 54.27.95.462, ten name van de betrokkene, heeft de betrokkene in de periode van 1 mei 2010 (aanvang ten laste gelegde periode) tot en met 24 juni 2011 (einddatum overzicht) een totaalbedrag aan salaris ontvangen van (1.987,16 + 1.903,79 + 1.903,79 + 1.923,41 + 1.913,55 + 1.913,55 + 1.913,55 + 1.913,55 + 1.935,93 + 1.935,93 + 1.935,93 + 1.935,93 + 2.944,56 + 1.935,93 =) € 27.996,56 (doorgenummerde dossierpagina 229). Voorts blijkt dat de betrokkene in de periode van 26 juli 2011 tot en met 22 december 2011 (ten laste gelegde periode loopt tot en met 18 januari 2012) een totaalbedrag van € 10.221,60 aan salaris heeft ontvangen van [bedrijf] te Almere (doorgenummerde dossierpagina 233). Dit betekent dat de betrokkene in de ten laste gelegde periode een totaalbedrag van (27.996,56 + 10.221,60 =) € 38.218,16 aan salarisbetalingen heeft ontvangen die – nu zij zijn uitgekeerd op basis van valse arbeidsovereenkomsten – worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De enkele omstandigheid dat over dit bedrag belasting zou zijn betaald en/of dat geen partij zou zijn benadeeld, zoals naar voren gebracht door de raadsman, laat het voorgaande onverlet.

Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] af, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken. Immers, ook indien deze personen kunnen bevestigen dat [getuige 2] zijn schuld aan [getuige 1] afbetaalde door geld aan de betrokkene over te maken, blijft staan dat de betrokkene salaris ontving op basis van valse arbeidsovereenkomsten en reeds daarmee wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 38.218,16.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 38.218,00 (achtendertigduizend tweehonderdachttien euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 38.218,00 (achtendertigduizend tweehonderdachttien euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. N.A. Schimmel en mr. E. van Die in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 januari 2020.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.M. Simons

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?