beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
raadkamernummer hoger beroep: 000828-21
raadkamernummer eerste aanleg: 20/5251
parketnummer eerste aanleg: 13.751958-20
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2021 met betrekking tot de toelating van de overlevering van de hierna te noemen opgeëiste persoon aan the Regional Court in Wroclaw, te weten:
[verzoeker],
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1981,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. H. Loonstein,
Groot Blankenberg 49, 1082 AC Amsterdam.
1. Procesverloop
Op 30 december 2019 is door the Regional Court in Wroclaw (Polen) een EAB uitgevaardigd.
Op 30 oktober 2020 is het in behandeling nemen van het EAB door de officier van justitie gevorderd.
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 december 2020, 9 april 2021 en 7 mei 2021.
Bij beschikking van 7 mei 2021 heeft de raadkamer in de rechtbank Amsterdam de toelating van de overlevering uitgesproken.
Op 20 mei 2021 is namens de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 25 november 2021 de advocaat-generaal en de raadsman van de opgeëiste persoon ter gelegenheid van de openbare behandeling van het appel in raadkamer gehoord. De opgeëiste persoon is niet in raadkamer verschenen.
2. Beoordeling
Ontvankelijkheid
De Advocaat-Generaal heeft het standpunt in genomen dat het hoger beroep van de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk is, nu geen hoger beroep open staat tegen de uitspraak van de rechtbank (art. 29 lid 2 OLW). De verdediging heeft betoogd dat haar hoger beroep desondanks ontvankelijk is, nu er gegronde redenen bestaan om dit appelverbod te doorbreken. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat sprake is geweest van een schending van essentiële normen, omdat is gebleken dat het (laatste) ondertekeningsblad van de uitspraak door de rechters en de griffier is ondertekend voordat de schriftelijke uitspraak gereed was.
Hoewel er tot op heden geen strafzaken of overleveringszaken bekend zijn waarin de Hoge Raad aanleiding heeft gezien het appelverbod te doorbreken, dan wel te overwegen dat een dergelijke doorbreking onder omstandigheden geëigend zou zijn, sluit het hof niet uit dat er – nog niet eerder voorgelegde - omstandigheden denkbaar zijn waaronder de hoger beroepsrechter een appel in behandeling dient te kunnen nemen, ondanks een appelverbod. Het hof denkt daarbij bijvoorbeeld aan gevallen waarin bij de totstandkoming van een uitspraak zodanig grove schendingen van de grondrechten van de verdachte of opgeëiste persoon zouden hebben plaatsgevonden.
Wat daar ook van zij, het hof is van oordeel dat in de huidige zaak in het geheel geen aanleiding bestaat voor doorbreking van het appelverbod. Enerzijds is weliswaar gebleken dat de rechters en de griffier – onder meer vanwege beperkte aanwezigheid op de rechtbank in verband met Covid-maatregelen - het ondertekeningsblad reeds hebben ondertekend (kort) na de zitting op 9 april 2021, terwijl de uitspraak nog niet op papier was gesteld. Anderzijds is echter komen vast te staan dat de schriftelijk uitspraak het resultaat is van hetgeen door de betrokken rechters in raadkamer is overwogen en beslist en dat deze overeenkomt met de mondelinge uitspraak op 7 mei 2021. De jongste rechter heeft immers schriftelijk verklaard dat de uitspraak conform de raadkamer is uitgewerkt. uit de schriftelijke verklaring van De oudste rechter, die deelnam aan de zitting op 9 april 2021 en het raadkamerdebat daarna en bovendien de uitspraak deed op 7 mei 2021 heeft verklaard dat de schriftelijke uitspraak een uitwerking is van hetgeen zij mondeling op uitsprakenzitting heeft medegedeeld. Alle drie de rechters hebben schriftelijk verklaard dat zij akkoord zijn met de inhoud van de schriftelijke uitspraak.
Gelet op het vorenstaande is voldaan aan de ratio van artikel 365 van het Wetboek van Strafvordering. De slotsom is dat de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk is in het hoger beroep. .
De verdediging heeft het hof nog verzocht om met toepassing van artikel 356 Sv de uitspraak vals te verklaren. Aan de beoordeling van dit verzoek komt het hof niet toe, nu het hoger beroep van de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk is. Ten overvloede overweegt het hof dat – vanwege de hier boven opgesomde feiten en omstandigheden – geen sprake is van een vals stuk, nog daargelaten of artikel 356 Sv een grondslag biedt voor het vals verklaren van een rechterlijke uitspraak.
3. Beslissing
Het hof:
Verklaart de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de opgeëiste persoon.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, L.I.M. Bergen en R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij ontstentenis van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 16 december 2021.